Eisers, zelfstandig ondernemers met drie kinderen, ontvingen een bijstandsuitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Baanbrekers weigerde de verlenging van de uitkering en trok het recht op uitkering over de periode van 15 oktober 2018 tot en met 31 oktober 2019 in vanwege een niet inzichtelijke middelenstroom en vermeende schending van de inlichtingenplicht. Tevens werd een bedrag van € 11.378,21 teruggevorderd als onverschuldigd betaalde uitkering.
Eisers betwistten de beschuldigingen en stelden dat contante opnames uit de onderneming werden gebruikt voor levensonderhoud, en dat zij onvoldoende ondersteuning kregen bij de administratie. De rechtbank oordeelde dat de kasboeken en bankafschriften onvoldoende en niet consistent waren, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De rechtbank volgde het standpunt van Baanbrekers dat eisers onvoldoende inzicht hebben gegeven in hun financiële situatie.
De rechtbank stelde vast dat het intrekkingsbesluit eerder was genomen dan het terugvorderingsbesluit, waardoor het bezwaar van eisers hierover ongegrond was. De terugvordering werd als rechtmatig beoordeeld, omdat er geen dringende redenen waren om hiervan af te zien. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.