ECLI:NL:RBZWB:2023:1588

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 maart 2023
Publicatiedatum
14 maart 2023
Zaaknummer
AWB- 22_5712
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 7:10 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 4:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaar WIA-uitkering

Eiseres heeft beroep ingesteld omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op haar bezwaar van 16 augustus 2021 tegen het besluit van 12 juli 2021 over een WIA-uitkering. De rechtbank had het beroep aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening, maar na verzet werd dit oordeel herzien.

De rechtbank constateert dat verweerder de beslistermijn van zeventien weken, met een verlenging van zes weken, heeft overschreden. Eiseres heeft verweerder vervolgens ingebrekesteld op 8 februari 2022 en twee weken later beroep ingesteld, wat niet onredelijk laat is. Verweerder heeft nog geen nieuw besluit genomen vanwege achterstanden bij het sociaal medisch onderzoek.

De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen twee maanden na verzending van deze uitspraak alsnog moet beslissen op het bezwaar. Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd voor elke dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000. Verweerder moet ook het betaalde griffierecht en proceskosten vergoeden aan eiseres.

Uitkomst: Verweerder moet binnen twee maanden alsnog beslissen op het bezwaar en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/5712

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2023 in de zaak tussen

[eiseres]., uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 16 augustus 2021 tegen het besluit van 12 juli 2021 betreffende de toekenning van een uitkering aan de (ex) werknemer ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Bij uitspraak van 24 januari 2023 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep niet binnen een redelijke termijn beroep is ingesteld.
Bij brief van 1 februari 2023 heeft eiseres tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Bij uitspraak van 28 februari 2023 is het verzet gegrond verklaard.

Overwegingen

De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
Het bestuursorgaan beslist op het onderhavige bezwaar binnen zeventien weken na de dag waarop de bezwaartermijn is verstreken (artikel 112 van Pro de Wet WIA). Het bezwaarschrift tegen het besluit van 12 juli 2021 is bij verweerder ingediend op 16 augustus 2021. Verweerder heeft de beslistermijn met toepassing van artikel 7:10, derde lid, van de Awb verdaagd met zes weken. Verweerder had dus uiterlijk op 31 januari 2022 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is daarom voorbij. Eiseres heeft verweerder op 8 februari 2022 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
De rechtbank stelt vast dat in de verzetprocedure is gebleken dat na het indienen van de ingebrekestelling er tussen partijen op diverse momenten contact is geweest over de voortgang van de bezwaarprocedure. Het beroep is derhalve niet onredelijk laat ingesteld.
Het beroep is kennelijk gegrond.
Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven. In het verweerschrift van 4 januari 2023 heeft verweerder aangegeven dat vanwege achterstanden bij de afdeling sociaal medische zaken het sociaal medisch onderzoek nog niet is afgerond. Het is verweerder nog niet bekend wanneer er een besluit kan worden genomen.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat verweerder twee maanden de tijd krijgt de beslissing op bezwaar te nemen, gelet op de inmiddels verstreken tijd.
De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Eiseres heeft ook verzocht om de dwangsom van artikel 4:17 van Pro de Awb vast te stellen. Verweerder heeft bij besluit van 7 juli 2022 reeds de dwangsom vastgesteld op het maximale bedrag van € 1.442,-. De rechtbank is niet gebleken dat dit onjuist is.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Daarbij merkt de rechtbank het gewicht van de onderhavige zaak aan als licht, gelet op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, waarin is overwogen dat geschillen met betrekking tot het uitblijven van een besluit als licht moeten worden beschouwd. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 418,50.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 14 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.