ECLI:NL:RBZWB:2023:1652

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 maart 2023
Publicatiedatum
15 maart 2023
Zaaknummer
22-028398
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 552d lid 2 SvArt. 36b SrArt. 33a Sr
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring klaagschrift tegen beslag op voertuig wegens rijden zonder rijbewijs

Klaagster, eigenaar van een Daihatsu Charade, verzocht om opheffing van het beslag op haar voertuig dat in het strafvorderlijk onderzoek tegen haar kleinzoon was gelegd wegens herhaald rijden zonder geldig rijbewijs.

De rechtbank oordeelt dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, mede omdat de verdachte meerdere keren zonder rijbewijs in het voertuig heeft gereden ondanks waarschuwingen aan klaagster om dit te voorkomen.

Gezien het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter het voertuig zal verbeurd verklaren, blijft het beslag gehandhaafd. Het klaagschrift wordt daarom ongegrond verklaard.

Klaagster was niet aanwezig bij de raadkamerzitting, de officier van justitie persisteerde bij handhaving van het beslag. De rechtbank benadrukt het summiere karakter van de raadkamerprocedure en het belang van het algemeen belang boven het persoonlijk belang van klaagster.

De beslissing is op 14 maart 2023 uitgesproken door rechter T.M. Brouwer.

Uitkomst: Het klaagschrift tegen het beslag op het voertuig wordt ongegrond verklaard en het beslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Locatie Breda
rk.nummer: 22-028398
Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klaagster],
geboren op [geboortedag] 1954,
wonende te [woonadres],
hierna te noemen: klaagster.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
 de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 6 november 2022 onder
[belanghebbende] in het strafvorderlijk onderzoek tegen die [belanghebbende] in beslag is genomen: een personenauto van het merk Daihatsu Charade voorzien van [kenteken] (hierna: het voertuig);
  • het klaagschrift, ingediend op 7 december 2022 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;
  • de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie;
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 28 februari 2023. Gehoord is de officier van justitie, mr. G. van Oosterveld.
Klaagster is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
De belanghebbende, zijnde [belanghebbende], is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan de klaagster. Daartoe is aangevoerd dat klaagster stelt eigenaar te zijn van het onder haar kleinzoon inbeslaggenomen voertuig en dat zij vanwege haar verblijf in Curaçao geen kennis had van de openstaande boetes gemaakt door derden. Financieel was zij ook niet in staat om het openstaande bedrag te voldoen. Klaagster heeft het voertuig hard nodig om haar moeder en andere naaste familieleden vanwege medische aandoeningen naar afspraken in het ziekenhuis te brengen. Reizen met het openbaar vervoer is niet mogelijk.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en zich opnieuw op het standpunt gesteld dat het beslag gehandhaafd dient te blijven. Zij acht het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen. Er is sprake is van herhaald plegen van het rijden zonder geldig rijbewijs door [belanghebbende] in een op naam van klaagster gesteld voertuig. Klaagster is op 2 maart 2021 gewaarschuwd voor het feit dat [belanghebbende] gebruik maakt van haar voertuig en dat deze bij een volgende overtreding inbeslaggenomen kan worden. Van klaagster mocht worden verwacht dat zij zou voorkomen dat [belanghebbende] gebruik kon maken van haar voertuig. Kennelijk heeft zij dit niet - of in ieder geval onvoldoende - gedaan. In dit geval dient het algemeen belang te prevaleren boven het persoonlijk belang.

2.De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klaagster is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, van het Wetboek van Strafrecht (hierna te noemen: Sr) in verbinding met artikel 552f Sv.
In deze doet zich het geval voor dat een ander dan degene tegen wie het strafvorderlijk onderzoek zich richt, stelt rechthebbende te zijn en zich beklaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave. In een dergelijk geval zal de rechtbank bij de beoordeling tevens acht moeten slaan op het bepaalde in art. 33a, tweede lid aanhef en onder a, Sr, inhoudende dat voorwerpen die niet aan de veroordeelde toebehoren alleen verbeurd kunnen worden verklaard indien degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden.
Op 6 november 2022 is tegen [belanghebbende] proces-verbaal opgemaakt wegens het rijden zonder geldig rijbewijs in een Daihatsu Charade met [kenteken] die na onderzoek op naam van klaagster bleek te staan. Tevens bleek na onderzoek dat er sprake was van meermalen recidive en dat [belanghebbende] op 23 december 2021 en 2 maart 2022 eveneens in voornoemd voertuig op naam van klaagster had gereden. Uit de voorhanden zijnde stukken begrijpt de rechtbank dat klaagster op 2 maart 2022 door politiemedewerkers per brief is gewaarschuwd dat [belanghebbende] gebruik maakt van haar voertuig en dat deze bij een volgende overtreding in beslag wordt genomen. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen. De rechtbank is van oordeel dat thans dus nog een strafvorderlijk belang bestaat bij het in beslag houden van het voertuig.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv Pro gelegde beslag ongegrond verklaren.

3.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 14 maart 2023 gegeven door mr. T.M. Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 maart 2023.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing
beroep in cassatieworden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).