ECLI:NL:RBZWB:2023:1693

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 maart 2023
Publicatiedatum
15 maart 2023
Zaaknummer
BRE 21_4176
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.120 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aftrek rente bij aankoop blote eigendom erfpachtgrond in inkomstenbelasting

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2017 en tegen de afwijzing van zijn verzoek om ambtshalve vermindering door de inspecteur. De kern van het geschil betreft de vraag of een bedrag van € 12.467,39, onderdeel van de koopsom van € 57.404,80 voor de blote eigendom van erfpachtgrond, in aftrek kan worden gebracht als rente of kosten van een lening.

De rechtbank oordeelt dat het bezwaar tegen de beschikking van 25 mei 2021 terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding. Desondanks beoordeelt de rechtbank het geschil inhoudelijk naar aanleiding van de beschikking van 17 september 2021. Volgens de wet zijn alleen renten en kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld en periodieke betalingen op grond van erfpacht, opstal en beklemming aftrekbaar.

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het genoemde bedrag betrekking heeft op rente of kosten van een lening voor de aankoop van de blote eigendom. Er is geen bewijs van een dergelijke lening en het bedrag kan ook niet worden gezien als achterstallige canon, omdat belanghebbende jaarlijks canon heeft afgetrokken. Daarom is het volledige bedrag van € 57.404,80 aangemerkt als koopsom en niet aftrekbaar.

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond, wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht af en kent geen proceskostenvergoeding toe. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond omdat niet aannemelijk is gemaakt dat een deel van de koopsom rente betreft.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 21/4176
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 maart 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,de inspecteur.

1.Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar en de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de inspecteur van 17 september 2021.
1.2.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2017 opgelegd.
1.3.
De inspecteur heeft het verzoek van belanghebbende om ambtshalve vermindering van de aanslag bij beschikkingen van 25 mei 2021 en 17 september 2021 afgewezen.
1.4.
Belanghebbende is met toestemming van de inspecteur tegen de laatste afwijzing rechtstreeks in beroep gekomen.
1.5.
Met toestemming van partijen is een mondelinge behandeling achterwege gebleven.

2.Feiten

2.1.
De aanslag is aan belanghebbende opgelegd met dagtekening 10 oktober 2019. Belanghebbende heeft op 9 april 2021 verzocht om ambtshalve vermindering van de aanslag. De inspecteur heeft het verzoek op 25 mei 2021 afgewezen. Belanghebbende heeft daar op 27 juli 2021 bezwaar tegen gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Hij heeft het verzoek tevens aangemerkt als een nieuw verzoek om ambtshalve vermindering en dat verzoek op 17 september 2021 afgewezen.
2.2.
Belanghebbende is eigenaar en bewoner van de woning aan de [adres] te [plaats 2] (de woning). Belanghebbende heeft het opstal- en erfpachtrecht van de woning op 13 januari 2006 gekocht. De maandelijks (oorspronkelijk) te betalen erfpachtcanon was € 85 en is jaarlijks verhoogd met twee procent. Belanghebbende heeft de betaalde canon jaarlijks in aftrek gebracht op de inkomsten uit eigen woning. Belanghebbende heeft in 2018 de blote eigendom van de woning (bij)gekocht voor € 57.404,80 en daarna de volle eigendom (de blote eigendom en de zakelijke rechten van opstal en erfpacht) verkocht.
2.3.
Belanghebbende heeft gesteld dat in het bedrag van € 57.404,80 een gedeelte groot € 12.467,39 aan rente over de erfpachtgrond is begrepen en dat dat bedrag in mindering moet komen op de inkomsten uit eigen woning. Belanghebbende heeft ook gesteld dat dit bedrag een aanvulling is op maandelijkse canon die hij moest voldoen.

3.Beoordeling door de rechtbank

3.1.
De rechtbank beoordeelt (1) of het bezwaar tegen de weigering van ambtshalve vermindering van 25 mei 2021 terecht niet-ontvankelijk is verklaard en (2) of belanghebbende recht heeft op aftrek van een bedrag van € 12.467,39 in verband met de aankoop van de blote eigendom van de grond.
3.2.
Het bezwaar tegen de beschikking van 25 mei 2021 is bij de inspecteur ingekomen op 27 juli 2021. Dat is meer dan 6 weken na de dagtekening van die beschikking, en daarmee te laat. Belanghebbende heeft niets aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank is daarom van oordeel dat de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3.3.
De rechtbank kan het geschil tussen partijen toch inhoudelijk beoordelen, naar aanleiding van de beschikking van 17 september 2021.
3.4.
Aftrekbaar als kosten van eigen woning zijn (a) renten van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld, (b) de kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld en (c) periodieke betalingen op grond van de rechten van erfpacht, opstal en beklemming met betrekking tot de eigen woning [1] .
3.5.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het door hem als onderdeel van de koopsom voor de blote eigendom betaalde bedrag van € 12.467,39 betrekking heeft op rente of kosten die hij verschuldigd was in verband met een lening die is aangegaan in verband met aankoop van die (blote) eigendom; van het bestaan van zo’n geldlening is immers niet gebleken. Ook acht de rechtbank niet aannemelijk dat het bedrag betrekking heeft op periodieke betalingen – in dit geval: achterstallige canon - omdat belanghebbende jaarlijks canon in aftrek heeft gebracht die hij dus kennelijk in die jaren heeft betaald.
De rechtbank moet daarom tot de conclusie komen dat het hele bedrag van € 57.404,80 dat belanghebbende heeft betaald is betaald als koopsom voor de blote eigendom. Die aankoopsom is niet aftrekbaar.
Conclusie en gevolgen
De beroepen zijn ongegrond. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug. Ook krijgt hij geen vergoeding voor eventuele proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, in aanwezigheid van mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier, op 28 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).
Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.
Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.

Voetnoten

1.Artikel 3.120, Wet IB 2001.