ECLI:NL:RBZWB:2023:1754

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 maart 2023
Publicatiedatum
17 maart 2023
Zaaknummer
AWB- 23_1256 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet maatschappelijke ondersteuning
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging Wmo-voorzieningen

Verzoekster ontving huishoudelijke ondersteuning en een was service op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk besloot deze voorzieningen per 1 maart 2023 te beëindigen, nadat een medisch adviseur had geconcludeerd dat verzoeksters echtgenoot medisch niet beperkt is en in staat is de gebruikelijke zorg te leveren.

Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Zij stelde dat zij vanwege haar reuma en ziekte van Crohn niet kon wachten op de bezwaarprocedure en dat haar echtgenoot, vanwege zijn werk en eigen gezondheidsklachten, de huishoudelijke taken niet kon overnemen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van een acute medische noodsituatie of onomkeerbare gevolgen als de huishoudelijke hulp tijdelijk wegvalt. Verzoekster kon lichte huishoudelijke taken zelf verrichten en de situatie van het gezin, hoewel belastend, rechtvaardigde geen spoedeisend belang. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Omdat het spoedeisend belang ontbrak, werd niet inhoudelijk op de rechtmatigheid van het besluit ingegaan. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen beëindiging van de Wmo-voorzieningen wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/1256 WMO VV

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 maart 2023 in de zaak tussen

[naam verzoekster], uit [woonplaats verzoekster], verzoekster

en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 16 januari 2023 (primair besluit) heeft het college aan verzoekster meegedeeld dat de voorzieningen die zij heeft op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), te weten huishoudelijke ondersteuning en een was service, met ingang van 1 maart 2023 worden beëindigd.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

Bij besluit van 29 september 2022 heeft het college verzoekster per 1 oktober 2022 in aanmerking gebracht voor huishoudelijke ondersteuning en een was service. In dit besluit heeft het college verzoekster meegedeeld dat het een tijdelijke verlenging van de indicatie betreft tot en met 30 maart 2023 omdat nog een beoordeling betreffende de echtgenoot van verzoekster moet plaatsvinden door een medisch adviseur.
Op 10 november 2022 heeft verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] (medisch adviseur van stichting [naam stichting]) een rapport uitgebracht over verzoeksters echtgenoot. Zijn conclusie is dat verzoeksters echtgenoot medisch niet beperkt is ten aanzien van het uitvoeren van huishoudelijke taken en dat hij in staat is de gebruikelijke zorg te leveren.
Vervolgens heeft het college het primaire besluit tot beëindiging van de voorzieningen genomen. Het bezwaar van verzoekster tegen dit besluit is op een hoorzitting van 2 maart 2023 besproken.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Er moet met andere woorden niet gewacht kunnen worden op de beslissing op bezwaar, omdat zich dan een acute (medische) noodsituatie voordoet of zich gevolgen voordoen die niet meer kunnen worden hersteld.
Bij brief van 23 februari 2023 heeft de voorzieningenrechter verzoekster verzocht het spoedeisend belang nader toe te lichten.
Bij emailbericht van 2 maart 2023 heeft verzoekster de gevraagde toelichting gegeven.
Verzoekster stelt dat zij niet op de uitslag van de bezwaarprocedure kan wachten. De reuma in haar handen speelt op en door de ziekte van Crohn is zij chronisch vermoeid en moet zij ’s middags slapen. Verzoekster stelt dat van haar echtgenoot niet gevergd kan worden huishoudelijke taken van haar over te nemen. Hij is vrachtwagenchauffeur en is heel de week van huis. In het weekend gaat hij met hun zoons naar voetbalwedstrijden en doet hij zijn eigen boodschappen voor de hele werkweek. Ook wast hij zijn eigen kleding. Verzoekster wijst erop dat haar echtgenoot ook pijnklachten heeft waarnaar nog onderzoek wordt gedaan. Verzoekster wijst verder op het feit dat haar oudste zoon eveneens kampt met gezondheidsklachten, waardoor zij haar handen vol heeft. Verzoekster stelt dat zij ook niemand heeft die haar tijdelijk kan helpen. Bij bericht van 10 maart 2023 heeft verzoekster erop gewezen dat de bezwaarcommissie het college heeft gevraagd het bestreden besluit nader te motiveren, gelet op de problematiek van het hele gezin, in relatie tot het eerder over haar echtgenoot gegeven medisch advies.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat een spoedeisend belang tot het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt.
De voorzieningenrechter overweegt dat niet in geschil is dat verzoekster vanwege haar medische beperkingen bij veel huishoudelijke taken hulp nodig heeft.
De voorzieningenrechter begrijpt dat de gezinssituatie veel van verzoekster en haar echtgenoot vergt. Verzoekster heeft in het emailbericht van 2 maart 2023 aangegeven dat zij zelf in de ochtenden verdeeld over de week de lichte huishoudelijke taken kan doen, zoals de was verzorgen, de vaatwasser in- en uitruimen, een boodschap doen en een enkele keer stofzuigen. Begrijpelijk is dat door het wegvallen van de voorziening van, naar de voorzieningenrechter begrijpt ongeveer 2,5 uur huishoudelijke hulp per week en de was service, de extra taken in het weekend voor verzoeksters echtgenoot belastend zijn, zeker naast zijn drukke en belastende baan en de gestelde pijnklachten.
Uit de door verzoekster gegeven toelichting blijkt niet dat sprake zal zijn van een acute (medische) noodsituatie of ernstige of onomkeerbare gevolgen als extern aangeboden huishoudelijke hulp van ongeveer 2,5 uur per week tijdelijk uitblijft.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Omdat er geen spoedeisend belang is, komt de voorzieningenrechter niet toe aan de vraag of het besluit tot beëindiging van de voorzieningen per 1 maart 2023 rechtmatig is.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is op 16 maart 2023 gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.B. Both-Attema, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.