ECLI:NL:RBZWB:2023:1779
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waardering bedrijfspand bij staking onderneming voor IB/PVV 2016
Belanghebbende voerde beroep aan tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2016, waarin de inspecteur de boekwinst op de verkoop van een bedrijfspand hoger had vastgesteld dan belanghebbende had aangegeven.
De onderneming van belanghebbende werd in 2016 gestaakt en het bedrijfspand en de woning werden gezamenlijk verkocht voor € 1.000.000. De inspecteur stelde de waarde van het bedrijfspand op € 610.000, wat leidde tot een hogere boekwinst dan de door belanghebbende opgegeven waarde van circa € 280.400, gebaseerd op een verhouding van WOZ-waarden.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur voldoende aannemelijk had gemaakt dat de hogere waardering van het bedrijfspand terecht was, mede aan de hand van een taxatierapport van een rijkstaxateur en de directe doorverkoop van de woning voor € 390.000. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat belanghebbende geen concrete toezeggingen of gedragingen kon aantonen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees teruggaaf van griffierecht en proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2016 wordt ongegrond verklaard en de door de inspecteur gehanteerde waardering van het bedrijfspand bevestigd.