ECLI:NL:RBZWB:2023:1783

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 maart 2023
Publicatiedatum
17 maart 2023
Zaaknummer
21/5674
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens laden en lossen

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 66 opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Breda. De naheffingsaanslag is opgelegd omdat belanghebbende zijn auto op 28 oktober 2021 in een straat heeft stilgezet zonder parkeerbelasting te voldoen.

Belanghebbende stelde dat er sprake was van onmiddellijk laden en lossen omdat hij zijn hond bij vrienden wilde ophalen en attributen zoals een mand, voederbakken en voer wilde meenemen. Hij voerde aan dat de kinderen in de auto bleven zitten en dat de auto niet was afgesloten.

De rechtbank heeft op basis van de opnames van de scanauto vastgesteld dat de auto weliswaar stilstond met het dak open, maar dat er geen zichtbare handelingen waren die duidden op het in- of uitladen van zaken. Er was geen hond zichtbaar en geen geopende achterklep. De rechtbank concludeert dat niet aannemelijk is gemaakt dat er onmiddellijk werd geladen of gelost.

Daarom is het beroep ongegrond verklaard en blijft de naheffingsaanslag in stand. Belanghebbende krijgt geen terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 21/5674

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende] uit [plaats], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 24 november 2021.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd tot een bedrag van € 66 (inclusief kosten).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Feiten

2. Op 28 oktober 2021 heeft belanghebbende zijn hond opgehaald bij vrienden in de [straatnaam] te [plaats]. Met het oog daarop heeft hij zijn auto in die straat stilgezet en aangebeld bij zijn vrienden. Hij heeft geen parkeerbelasting voldaan.
3. Op 28 oktober 2021, 17:06 uur, heeft een scanauto van [beheer] geregistreerd dat de auto op de genoemde locatie stilstond en daarvan zijn opnames gemaakt. Vervolgens heeft de heffingsambtenaar de in geschil zijnde naheffingsaanslag opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt de vraag of de heffingsambtenaar terecht de naheffingsaanslag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
5. Belanghebbende heeft als beroepsgrond gesteld dat er sprake was van laden (en lossen) omdat hij bij zijn vrienden enkel zijn hond wilde ophalen, de auto niet had afgesloten en de kinderen in de auto zijn blijven zitten. Hij wilde niet alleen de hond ophalen maar ook de attributen (een grote mand, voederbakken, speeltjes en voer). Het door de vrienden aangeboden drankje hebben zij afgeslagen.
6. Op grond van artikel 225 van Pro de Gemeentewet kan een gemeente een belasting heffen ter zake van het parkeren van een voertuig op de openbare weg. Het tweede lid van dit artikel bepaalt, voor zover van belang, dat onder parkeren wordt verstaan het gedurende een aaneengesloten periode laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk laden of lossen van zaken. De Verordening parkeerbelastingen Breda 2021 bevat een gelijkluidende omschrijving.
7. Onder 'onmiddellijk laden en lossen' wordt verstaan het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet gaan om zaken van een zodanige omvang of gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht. [1]
8. Uit de vanuit de scanauto gemaakte opnames blijkt dat de auto stilstond met geopend dak. Op die opnames is geen hond zichtbaar, valt niet op te maken dat er sprake was van enige handeling waarbij in de directe omgeving van de auto attributen werden verplaatst en evenmin was er sprake van een geopende achterklep. Anders dan belanghebbende heeft gesteld is dan ook niet aannemelijk dat er sprake was van
onmiddellijkladen (of lossen). Het feit dat de auto korte tijd heeft stilgestaan, doet niet af aan het feit dat er sprake kan zijn van parkeren. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding voor proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.A. Boersma, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier, op 31 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.zie Hoge Raad 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:445, overweging 3.3.2