ECLI:NL:RBZWB:2023:1785

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 maart 2023
Publicatiedatum
17 maart 2023
Zaaknummer
22/1473
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 GemeentewetArt. 1 Verordening parkeerbelasting gemeente Breda
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens onmiddellijk uitstappen

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag opgelegd omdat zijn auto zonder betaling geparkeerd zou hebben gestaan in een parkeerzone. De heffingsambtenaar handhaafde de aanslag na bezwaar. Belanghebbende voerde aan dat hij zijn dochter alleen had afgezet en dat het voertuig slechts kort had stilgestaan voor het onmiddellijk uitstappen.

De rechtbank oordeelde dat parkeren volgens de Gemeentewet en de Verordening niet van toepassing is op het onmiddellijk in- en uitstappen. De bewijslast rust op de heffingsambtenaar om aan te tonen dat er daadwerkelijk sprake was van parkeren. De door de heffingsambtenaar overgelegde foto’s waren onvoldoende om dit te bewijzen.

De rechtbank achtte de verklaring van belanghebbende geloofwaardig en concludeerde dat het scenario van onmiddellijk uitstappen niet kon worden uitgesloten. De naheffingsaanslag werd daarom ten onrechte opgelegd en vernietigd. Belanghebbende krijgt het betaalde griffierecht vergoed, maar proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt vernietigd en het griffierecht aan belanghebbende vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/1473
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 24 februari 2022.
1.1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd met aanslagnummer [aanslagnummer] (hierna: de naheffingsaanslag).
1.2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. In reactie daarop heeft belanghebbende een nadere toelichting met bijlagen ingediend.
1.4. De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de heffingsambtenaar [heffingsambtenaar].
Feiten
2. Op 10 februari 2022 omstreeks 16:49 uur stond belanghebbendes auto, een [automerk] met kenteken [kenteken], geparkeerd aan de [straatnaam] in [plaats]. De [straatnaam] ligt in een zone waarvoor parkeerbelasting moet worden betaald.
2.1. Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd heeft een parkeercontroleur vastgesteld dat belanghebbende zijn auto had geplaatst in een parkeervak terwijl hij voor die handeling geen parkeergeld had betaald. Naar aanleiding daarvan heeft hij aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 59,40, bestaande uit een bedrag van € 1,50 aan parkeerbelasting en € 57,90 aan kosten van de naheffingsaanslag.
2.2. Bij de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.1. Belanghebbende stelt dat geen sprake was van parkeren, maar van het onmiddellijk laten uitstappen van zijn dochter. Hij heeft zijn dochter afgezet, ze moest alleen haar werktas nog pakken en daarna is belanghebbende meteen weggereden terwijl hij de scanauto zag wegrijden.
3.2. De heffingsambtenaar stelt dat op de foto’s van de scanauto niet te zien is dat sprake is van onmiddellijk in- en uitstappen en dat ook kort stil staan op een parkeerplaats aangemerkt wordt als parkeren voor de heffing van parkeerbelasting.
3.3. De rechtbank overweegt als volgt.
3.4. Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en het gelijkluidende artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
3.5. De bewijslast om aannemelijk te maken dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd rust op de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar dient in dit geval aannemelijk te maken dat sprake is van parkeren als bedoeld in artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en voornoemd artikel 1 van Pro de Verordening.
3.6. Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar, gelet op hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. De door hem overlegde scanfoto’s zijn daartoe onvoldoende. Op de foto’s is te zien dat de auto is gescand vanaf (en volgordelijk) de achterkant, de zijkant en de voorkant, en niet vanaf de bestuurderskant. Het scenario dat door belanghebbende ter zitting is geschetst kan door de foto’s niet worden uitgesloten. De rechtbank acht de verklaring van belanghebbende, dat hij is uitgestapt, naast de auto heeft gestaan terwijl zijn dochter haar tas pakte waarna ook zij is uitgestapt, geloofwaardig mede gelet op de gedetailleerde herinneringen van belanghebbende aan de betreffende dag, de specifieke omstandigheden en de reden om aldaar met de auto te zijn. Dat het uitstappen zelf niet op de foto waarneembaar is, zoals de heffingsambtenaar heeft gesteld, doet daar niet aan af nu immers sprake is van een zeer korte momentopname van de scanauto die voorbij rijdt. Bovendien zou dit impliceren dat het laten uitstappen van een persoon slechts enkele seconden in beslag zou mogen nemen hetgeen de rechtbank niet reëel voorkomt.
3.7. Nu sprake is van een uitzonderingssituatie die maakt dat de handeling niet kan worden aangemerkt als parkeren als bedoeld in artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en artikel 1 van Pro de Verordening, is de naheffingsaanslag ten onrechte aan belanghebbende opgelegd. Het beroep wordt daarom gegrond verklaard.

4.Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht terug. Dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt is gesteld noch aannemelijk geworden.

5.Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag parkeerbelasting;
- gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50 aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier, op 17 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.