ECLI:NL:RBZWB:2023:1789

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 maart 2023
Publicatiedatum
17 maart 2023
Zaaknummer
BRE-22-2518
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling heffingsambtenaar tot proceskostenvergoeding na intrekking beroep parkeerbelasting

Belanghebbende kreeg op 26 februari 2022 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Breda. Na een ongegrond verklaard bezwaar op 20 april 2022 stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank. Vervolgens vernietigde de heffingsambtenaar de aanslag ambtshalve op 27 mei 2022.

De heffingsambtenaar gaf aan dat proceskostenvergoeding mogelijk is indien de rechtbank hiertoe aanleiding ziet, met toepassing van een wegingsfactor van 0,5 conform richtsnoeren van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Naar aanleiding hiervan trok belanghebbende het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aan het beroep tegemoet was gekomen en kende het verzoek tot proceskostenvergoeding toe. De proceskosten werden vastgesteld op € 566,50, gebaseerd op punten toegekend voor het indienen van bezwaar en beroep, vermenigvuldigd met de wegingsfactor. Tevens wees de rechtbank op de verplichting van de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht van € 50,-.

De uitspraak werd gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen op 17 maart 2023 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van € 566,50 aan proceskosten aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/2518

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

De heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.

Procesverloop

Met dagtekening 26 februari 2022 heeft de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende met aanslagnummer [aanslagnummer].
Bij uitspraak op bezwaar van 20 april 2022 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Bij brief van 27 mei 2022 heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag ambtshalve vernietigd. De heffingsambtenaar heeft de rechtbank op 1 augustus 2022 medegedeeld dat – indien er naar het oordeel van de rechtbank aanleiding toe bestaat – proceskosten kunnen worden vergoed op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht en wegingsfactor 0,5 toe te passen gelet op de richtsnoeren van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch [1] .
Naar aanleiding hiervan heeft belanghebbende het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is de heffingsambtenaar tegemoet gekomen aan het beroep van belanghebbende.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 566,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 296,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 0,5).
De rechtbank wijst erop dat de heffingsambtenaar op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. Belanghebbende zal zich hiervoor dan ook tot de heffingsambtenaar moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 566,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 17 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.