ECLI:NL:RBZWB:2023:1789
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling heffingsambtenaar tot proceskostenvergoeding na intrekking beroep parkeerbelasting
Belanghebbende kreeg op 26 februari 2022 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Breda. Na een ongegrond verklaard bezwaar op 20 april 2022 stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank. Vervolgens vernietigde de heffingsambtenaar de aanslag ambtshalve op 27 mei 2022.
De heffingsambtenaar gaf aan dat proceskostenvergoeding mogelijk is indien de rechtbank hiertoe aanleiding ziet, met toepassing van een wegingsfactor van 0,5 conform richtsnoeren van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Naar aanleiding hiervan trok belanghebbende het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aan het beroep tegemoet was gekomen en kende het verzoek tot proceskostenvergoeding toe. De proceskosten werden vastgesteld op € 566,50, gebaseerd op punten toegekend voor het indienen van bezwaar en beroep, vermenigvuldigd met de wegingsfactor. Tevens wees de rechtbank op de verplichting van de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht van € 50,-.
De uitspraak werd gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen op 17 maart 2023 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van € 566,50 aan proceskosten aan belanghebbende.