ECLI:NL:RBZWB:2023:1791

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 maart 2023
Publicatiedatum
17 maart 2023
Zaaknummer
BRE-22-4929
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding na gegrond verklaard bezwaar parkeerbelasting

Belanghebbende kreeg een dwangbevel opgelegd voor een naheffingsaanslag parkeerbelasting. Na bezwaar verklaarde de invorderingsambtenaar het bezwaar gegrond en trok de invorderingskosten in. Belanghebbende stelde beroep in tegen het niet toekennen van proceskostenvergoeding in de bezwaarfase.

De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de invorderingsambtenaar tegemoet is gekomen aan het bezwaar, maar geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. De rechtbank veroordeelt de invorderingsambtenaar tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten van €418,50, gebaseerd op een wegingsfactor van 0,5 voor het indienen van het beroepschrift.

Verder wijst de rechtbank het verzoek af om een brief van de gemachtigde als conclusie van repliek te beschouwen, omdat belanghebbende geen gelegenheid tot repliceren heeft gehad. De rechtbank wijst erop dat het betaalde griffierecht van €50 door de invorderingsambtenaar moet worden vergoed. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 17 maart 2023.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de invorderingsambtenaar tot vergoeding van €418,50 aan proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht van €50 aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/4929

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

De invorderingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de invorderingsambtenaar,

Procesverloop

Met dagtekening 7 juni 2022 is aan belanghebbende een dwangbevel opgelegd inzake een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer].
Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt en verzocht om de invorderingskosten te vernietigen.
Bij uitspraak op bezwaar van 15 september 2022 heeft de invorderingsambtenaar het bezwaar gegrond verklaard en de in rekening gebrachte invorderingskosten ingetrokken.
Hiertegen heeft belanghebbende beroep ingesteld.
De invorderingsambtenaar heeft bij brief van 21 november 2022 gereageerd op het beroepschrift en geeft daarbij aan dat uit het beroepschrift niet is op te maken waar tegen het beroep is gericht, daar het bezwaar gegrond is verklaard en de naheffingsaanslag c.q. de invorderingskosten zijn vernietigd. De invorderingsambtenaar vermoedt dat het beroep is gericht tegen het niet toekennen van proceskostenvergoeding in bezwaar, maar dat niet blijkt uit het beroepschrift.
Bij brief van 21 november 2022 heeft de invorderingsambtenaar alsnog een uitspraak op bezwaar gedaan betreffende de kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
De heffingsambtenaar is van mening dat belanghebbende geen belang meer heeft met de procedure en verzoekt het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Als de rechtbank echter van mening is dat het beroep ontvankelijk is, meent de invorderingsambtenaar dat kan worden volstaan met een proceskostenvergoeding met een wegingsfactor ‘zeer licht’.
De gemachtigde heeft bij brief van 8 december 2022 te kennen gegeven dat in het beroepschrift niet de juiste gronden zijn aangevoerd en dat het beroep enkel ziet op het niet toekennen van een proceskostenvergoeding in de bezwaarfase. De gemachtigde kan zich niet verenigen met de beslissing van de verweerder, omdat er geen punt is toegekend voor het indienen van een beroepschrift. Belanghebbende bepleit een wegingsfactor ‘licht’.. Daarbij wordt verwezen naar de richtsnoeren die verschillende gerechtshoven hanteren.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is de invorderingsambtenaar tegemoet gekomen aan het beroep van belanghebbende.
Het beroep is in zoverre kennelijk gegrond.
De rechtbank ziet aanleiding om de invorderingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende. De beoordeling beperkt zich gelet op het voorgaande enkel tot de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase.
De rechtbank veroordeelt de invorderingsambtenaar in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 met een wegingsfactor 0,5).
De gemachtigde heeft verzocht om zijn brief van 8 december 2022 aan te merken als conclusie van repliek. De rechtbank wijst dit verzoek af nu belanghebbende niet in de gelegenheid is gesteld om te repliceren, en de brief van 8 december 2022 derhalve niet als zodanig wordt aangemerkt door de rechtbank.
De rechtbank wijst erop dat de invorderingsambtenaar op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. Belanghebbende zal zich hiervoor dan ook tot de invorderingsambtenaar moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de invorderingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 418,50;
- draagt de invorderingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 50 aan belanghebbende te vergoeden
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 17 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.