Belanghebbende, woonachtig in Nederland en werkzaam als bemanningslid op Nederlandse zeeschepen, betwistte de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2015. De inspecteur had de premieplicht voor het hele jaar vastgesteld, terwijl belanghebbende slechts premieplichtig achtte tot 12 juli 2015 vanwege werkzaamheden aan boord van een schip in aanbouw in het buitenland.
De rechtbank oordeelt dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd omdat sprake is van een kenbare fout die rechtvaardigt dat de aanslag wordt herzien. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat de feiten die tot de navordering leidden hem bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Tevens is voldaan aan het 30%-criterium waardoor het kenbaarheidsvereiste is aangenomen.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat belanghebbende het gehele jaar premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen. De werkzaamheden aan boord van het schip onder Nederlandse vlag in aanbouw in het buitenland vallen onder de normale werkzaamheden van een zeevarende en rechtvaardigen geen afwijking van de hoofdregel. De inspecteur heeft dit standpunt ondersteund met een advies van de Sociale Verzekeringsbank.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, de navorderingsaanslag blijft in stand en belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding.