Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het aan hem ten laste gelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 9 maart 2023 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van meermalige verkrachting van aangeefster tussen april en juni 2021. De officier van justitie en de verdediging waren het eens dat het bewijs onvoldoende was om tot een bewezenverklaring te komen, waarna de rechtbank de zaak inhoudelijk beoordeelde.
De rechtbank stelde vast dat er een turbulente relatie bestond tussen verdachte en aangeefster, met meldingen van geweld. Echter, het bewijs voor verkrachting was onvoldoende. De verklaringen van getuigen en het proces-verbaal bevatten geen eigen waarnemingen maar herhaalden alleen de verklaring van aangeefster, waardoor ze geen steunbewijs vormden. Ook de WhatsApp-berichten na de relatie leverden onvoldoende bevestiging op.
Op grond van artikel 342 lid 2 Sv Pro, dat vereist dat een belastende verklaring steun moet vinden in ander bewijsmateriaal, concludeerde de rechtbank dat het bewijs niet aan deze eis voldeed. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij. Omdat verdachte werd vrijgesproken, verklaarde de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding van €16.581,-. De kosten van verdachte werden begroot op nihil.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor verkrachting.