Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen om de begunstigingstermijn van een last onder dwangsom voor zijn woning niet verder te verlengen. Het college had eerder vier bouwbesluit-overtredingen geconstateerd en een last onder dwangsom opgelegd met een begunstigingstermijn die meerdere malen werd verlengd tot 1 oktober 2021. Eiser had noodvoorzieningen getroffen en wilde de woning verkopen, waarna deze waarschijnlijk zou worden afgebroken.
Het college weigerde verdere verlenging van de begunstigingstermijn, stellende dat de weersomstandigheden het niet toelieten dat de woning in de huidige staat bleef. Eiser betoogde dat het onredelijk was om structurele renovaties te eisen in een woning die verkocht zou worden en dat de noodvoorzieningen voldoende waren. De rechtbank stelde vast dat het college geen nieuw onderzoek had verricht en dat de constructie volgens een deskundige niet rot was en de weersomstandigheden kon doorstaan.
De rechtbank oordeelde dat het college het evenredigheidsbeginsel onvoldoende had toegepast en dat eiser belang had bij verlenging omdat hij de woning op 16 december 2021 zou overdragen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en verlengde de begunstigingstermijn tot die datum. Tevens veroordeelde zij het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van eiser.