ECLI:NL:RBZWB:2023:1955

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2023
Publicatiedatum
24 maart 2023
Zaaknummer
AWB- 22_5952
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking beroep wegens tegemoetkoming WIA-uitkering

Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen besluiten van het UWV waarin een te hoge WIA-uitkering was vastgesteld en terugvordering werd opgelegd. Na bezwaar verklaarde het UWV het bezwaar gegrond en verviel de terugvordering, waarna verzoekster het beroep introk met het verzoek om proceskostenvergoeding.

De rechtbank beoordeelde het verzoek om proceskostenveroordeling conform de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht. Omdat het beroep was ingetrokken vanwege tegemoetkoming door het bestuursorgaan, was een proceskostenveroordeling mogelijk.

De rechtbank stelde de proceskosten vast op € 837,- voor de beroepsfase en wees erop dat het griffierecht van € 50,- door het UWV vergoed moet worden. De rechtbank veroordeelde het UWV tot betaling van deze proceskosten aan verzoekster.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het UWV tot vergoeding van € 837,- aan proceskosten na intrekking van het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/5952

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2023 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaatsnaam] , verzoekster

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 11 augustus 2022 (primair besluit I) heeft verweerder de WIA-uitkering van verzoekster over de periode van 1 januari 2022 tot en met 28 februari 2022 vastgesteld en bepaald dat verzoekster € 1.163,64 (bruto) te veel aan voorschot ontvangen heeft. In het besluit van 25 augustus 2022 (primair besluit II) heeft verweerder bepaald dat verzoekster een bedrag van € 1.057,95 (netto) terug dient te betalen.
In het besluit van 14 november 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
In het besluit van 26 januari 2023 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster alsnog gegrond verklaard. Verweerder heeft bepaald dat de inkomsten van verzoekster over de periode januari en februari 2022 ten onrechte zijn gekort op haar IVA-uitkering. De terugvordering van €1.057,95 (netto) is daarmee komen te vervallen.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat zij akkoord gaat met een veroordeling tot vergoeding van proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster.
Bij het nieuwe besluit heeft verweerder al een proceskostenveroordeling voor de bezwaarfase toegekend. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 1).
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van C.A.F. Kalb, griffier, op 24 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.