Belanghebbende heeft negen beroepsprocedures gevoerd tegen WOZ-waarde beschikkingen en OZB-aanslagen voor 2020, vastgesteld door de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant. Na een bezwaarprocedure en beroepsfase is tussen partijen een compromis bereikt over de materiële geschillen en kosten, waarna belanghebbende de beroepen introk met een verzoek tot vergoeding van immateriële schade.
De rechtbank behandelde de zaak op een hybride zitting op 22 maart 2023 en besloot alleen over de vergoeding van immateriële schade. De rechtbank constateerde een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer 11 maanden, waarbij 6 maanden aan de bezwaarfase en 5 maanden aan de beroepsfase zijn toe te rekenen.
Uitgaande van een vergoeding van €500 per half jaar overschrijding, werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van €545 en de minister tot €455 aan belanghebbende. De rechtbank nam de minister mede als partij aan en wees op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen zes weken. De uitspraak is gepubliceerd op 23 maart 2023.