In deze civiele bodemprocedure vorderde NS aanvankelijk betaling van een bedrag van €96,00 plus wettelijke rente en proceskosten van gedaagde. Gedaagde verzocht om afwijzing van deze vordering en veroordeling van NS in de proceskosten. Na de conclusie van dupliek gaf NS aan niet verder te willen procederen en verzocht de zaak door te halen op de rol.
De kantonrechter overweegt dat doorhaling van de zaak alleen met instemming van beide partijen mogelijk is. Omdat gedaagde weliswaar geen bezwaar maakte tegen doorhaling, maar wel verzocht NS in de proceskosten te veroordelen, ontbrak de vereiste instemming. Hierdoor kon de zaak niet worden doorgehaald.
Verder oordeelt de kantonrechter dat NS als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten moet worden veroordeeld, maar dat de gevorderde volledige vergoeding van de werkelijke proceskosten van gedaagde niet toewijsbaar is. Er is geen sprake van misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen door NS. De proceskosten worden daarom vastgesteld op een puntensalaris van €58,50.
De kantonrechter verklaart dat NS haar vordering niet handhaaft en veroordeelt NS tot betaling van de proceskosten aan de zijde van gedaagde tot het vastgestelde bedrag.