ECLI:NL:RBZWB:2023:2064

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 maart 2023
Publicatiedatum
29 maart 2023
Zaaknummer
22-027827
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:86 BWArt. 94 SvArt. 552a SvArt. 552d lid 2 SvArt. 36b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Klaagschrift ongegrond wegens ontbreken rechthebbende bij inbeslagname gestolen auto

Klager heeft een personenauto gekocht in Duitsland en betaalde hiervoor €19.700 contant. Na invoer en controle door de RDW bleek de auto gestolen te zijn in Frankrijk en voorzien van een nieuw chassisnummer. De auto werd daarop inbeslaggenomen. Klager verzocht om teruggave van de auto, stellende eigenaar te zijn en te goeder trouw te hebben gehandeld.

De officier van justitie stelde dat de auto moet worden teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaar, die een revindicatiemogelijkheid heeft. De rechtbank beoordeelde het klaagschrift op basis van artikel 552a Sv en oordeelde dat klager onvoldoende onderzoek had verricht om als te goeder trouw te worden aangemerkt volgens artikel 3:86 BW Pro.

De rechtbank overwoog dat de koop via internet plaatsvond van een onbekende verkoper, zonder bedrijfsruimte en met een groot contant bedrag, wat reden had moeten zijn voor nader onderzoek. De rechtbank kon niet ten gronde treden in eigendomsrechten maar gaf een voorlopig oordeel dat klager niet als rechthebbende kan worden beschouwd.

Daarom werd het klaagschrift ongegrond verklaard. De rechtbank erkende de vervelende situatie van klager, die wordt verwezen naar een civielrechtelijke procedure tegen de verkoper.

Uitkomst: Het klaagschrift wordt ongegrond verklaard omdat klager niet als rechthebbende van de auto kan worden aangemerkt.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 02/316075-22
rk-nummer: 22-027827
Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klager],
geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
hierna te noemen: klager.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 29 september 2022 onder klager in beslag is genomen: een personenauto van het merk, Peugeot, type, 208 en voorzien van het [kenteken] .
  • het klaagschrift, ingediend op 4 november 2022 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;
  • het verweerschrift van de officier van justitie en
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 14 maart 2023. Gehoord zijn de officier van justitie en klager.
Klager heeft aangevoerd dat op 29 september 2022 onder hem een personenauto in beslag is genomen. Klager stelt eigenaar te zijn van de auto. Hij heeft de auto te goeder trouw in Duitsland gekocht en was op weg naar de RDW in Rijen voor de invoer van de auto en een nieuw kenteken. Na onderzoek door de RDW bleek de auto in Frankrijk gestolen te zijn en was de auto voorzien van een nieuw chassisnummer. De auto is toen meteen inbeslaggenomen. Klager heeft zowel in Nederland als in Duitsland aangifte van oplichting gedaan. Klager heeft een geldbedrag van € 20.000,00 voor de auto betaald. Hij is nu zowel dit geldbedrag als de auto kwijt. Klager verzoekt dan ook om teruggave van de auto aan hem.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat inmiddels de beslissing is genomen om de auto terug te geven aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon. De auto was gestolen in Frankrijk en er bestaat een revindicatiemogelijkheid voor de (oorspronkelijke) eigenaar. De officier van justitie heeft begrip voor de situatie van klager maar ziet geen andere mogelijkheid voor klager dan om een civielrechtelijke procedure aan te spannen tegen de verkoper van de auto.

2.De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.
Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2010, gepubliceerd als ECLI:NL:HR:2010: BL2823 / NJ 2010, 654, draagt het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter. Wel dient de beklagrechter in voorkomende gevallen te beoordelen of beslagene, respectievelijk een derde, redelijkerwijs als rechthebbende dient te worden aangemerkt. Bij die beoordeling behoort de beklagrechter niet ten gronde te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar mag hij wel een (voorlopig) oordeel vellen omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp waarbij civiele aspecten kunnen worden betrokken.
De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat klager de auto in kwestie met een Frans kenteken van een voor hem onbekend persoon in Duitsland heeft gekocht en er een bedrag van € 19.700,00 voor heeft betaald en dit contant heeft afgerekend. De koop is via internet overeengekomen en er is een afspraak gemaakt in Duitsland, waarbij de verkoper hem buiten stond op te wachten. Van de verkoper heeft hij alleen een foto en een telefoonnummer. Na de invoer van de auto in Nederland en de daarbij behorende controle door de RDW, is gebleken dat de auto als gestolen stond geregistreerd in Frankrijk. Binnen het beperkte toetsingskader dat de rechtbank heeft, is zij van oordeel dat klager onder die omstandigheden onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de hem aangeboden auto om hem als te goeder trouw te kunnen aanmerken in de zin van artikel 3:86 BW Pro. De rechtbank kent daarbij veel gewicht toe aan het feit dat klager de auto via internet van een persoon heeft gekocht niet in de uitoefening van enig bedrijf, van wie hij de gegevens niet kent of heeft en dat de aflevering niet heeft plaatsgevonden in een bedrijfsruimte, maar onder de bovengenoemde omstandigheden. Daarnaast had het grote (contante) geldbedrag dat werd betaald reden moeten zijn voor klager om meer vragen te stellen en/of om nader onderzoek te verrichten ondanks de door hem genoemde documenten en onderzoekshandelingen, voor zover aanwezig. Het feit dat klager bij de overdracht de sleutels en de benodigde papieren heeft gekregen, maakt dit niet anders.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat klager niet redelijkerwijs als rechthebbende van de auto kan worden aangemerkt. Om die reden zal het klaagschrift ongegrond worden verklaard waarbij de rechtbank begrip heeft voor de uiterst vervelende situatie waar klager zich nu in bevindt, waarbij hem alleen het starten van een civiele procedure rest.

3.De beslissing

De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 28 maart 2023 gegeven door mr. M.H.M. Collombon, rechter, in tegenwoordigheid van J. van ‘t Westende, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2023.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing
beroep in cassatieworden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).