Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
geboren op [geboortedag] 1967,
wonende te [woonadres]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Veroordeelde stelde verzet in tegen een dwangbevel van het CJIB waarin een bedrag van €516,65 werd gevorderd wegens een niet-betaalde boete voor een verkeersovertreding. Hij voerde aan dat hij pas recent het dwangbevel had ontvangen omdat het was gestuurd naar een adres waar hij niet meer woonde en dat hij niet wist wie de overtreding had begaan.
Het CJIB stelde dat de vertraging in kennisname voor rekening van veroordeelde kwam, aangezien alle correspondentie naar het adres van inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) was gestuurd. De rechtbank stelde vast dat de boete oorspronkelijk op 25 oktober 2020 was opgelegd en dat meerdere aanmaningen en herinneringen zonder retourzending naar het BRP-adres waren verzonden.
De rechtbank oordeelde dat het dwangbevel terecht was uitgevaardigd omdat veroordeelde op het BRP-adres stond ingeschreven en voldoende gelegenheid had gehad om te betalen. Het feit dat hij daar niet daadwerkelijk woonde, was voor zijn eigen risico. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het verzet tegen het dwangbevel wordt ongegrond verklaard en het dwangbevel blijft in stand.