Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking 2021 voor meerdere objecten, maar dit bezwaar is door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank heeft in eerste aanleg het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en belanghebbende stelde hiertegen verzet in.
Tijdens de zitting op 3 maart 2023 heeft de rechtbank beoordeeld of het oordeel dat het beroep ongegrond is wegens termijnoverschrijding terecht is. Belanghebbende stelde dat het bezwaar wel tijdig was ingediend en vroeg om bewijs van verzending en poststempels, en voerde aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen van Covid-19.
De rechtbank oordeelt dat de bezwaartermijn van zes weken strikt is en dat het bezwaarschrift, gedagtekend 1 april 2021 en ontvangen op 7 april 2021, niet tijdig is ingediend. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die de termijnoverschrijding kunnen rechtvaardigen. Daarom blijft de niet-ontvankelijkverklaring in stand en wordt het verzet ongegrond verklaard.
Daarnaast wijst de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding af, omdat de redelijke termijn niet is overschreden en er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling.