Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
Feit 4: op 25 januari 2022 vuurwapens en munitie voorhanden heeft gehad;
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
op 24 januari 2022 te [plaats 2] [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend
- die [benadeelde 2] de woorden toegevoegd : “ik schiet hem kapot”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
op 25 januari 2022 te [plaats 2] , wapens van de categorie III, te weten:
- een centraalvuur pistool (merk FN-Herstal) en
- een stroomstootwapen (merk FBQ2002-A),
en munitie van categorie III, te weten:
- 93 centraalvuur kogelpatronen, kaliber 7,65 mm en
- 28 centraalvuur kogelpatronen, kaliber 6,35 mm,
voorhanden heeft gehad;
op 25 januari 2022 te [plaats 2] opzettelijk een radioapparaat, te weten een GSM/UMTS/GPS/LTE jammer, geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig heeft gehad, terwijl voor het gebruik ervan aan de houder van dat radioapparaat geen vergunning voor het gebruik van frequentieruimte was verleend op grond van hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet.
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.De benadeelde partij
[benadeelde 1]vordert een schadevergoeding van in totaal € 5.130,= voor de feiten 1 tot en met 3. Verdachte is vrijgesproken van de feiten waaruit de schade zou zijn ontstaan voor [benadeelde 1] . De rechtbank zal daarom de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
[benadeelde 2]vordert een schadevergoeding van in totaal
8.Het beslag
9.De wettelijke voorschriften
10.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten;
een taakstraf van 240 uren;
vervangende hechteniszal worden toegepast van
120 dagen;
een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar;
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;