Op 30 oktober 2020 werkte verdachte samen met de benadeelde als zwembadmedewerkers bij een vakantiepark. Na afloop van hun dienst tilde verdachte de benadeelde op en probeerde haar twee keer het zwembad in te gooien. Verdachte bekende deze handelingen.
De rechtbank oordeelde dat hoewel het mogelijk is dat verdachte de benadeelde daarbij op intieme plekken heeft aangeraakt, er onvoldoende bewijs is voor een seksuele intentie. De beleving van de benadeelde volstaat niet om opzet te bewijzen, waardoor verdachte vrijgesproken werd van aanranding.
Ook werd verdachte vrijgesproken van mishandeling omdat niet kon worden vastgesteld dat het letsel van de benadeelde, blauwe plekken, door het handelen van verdachte was veroorzaakt. Hierdoor ontbrak het noodzakelijke causaal verband. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering, die bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
De rechtbank sprak verdachte vrij van beide tenlastegelegde feiten en veroordeelde de benadeelde partij in de kosten van verdachte. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 31 maart 2023.