Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 maart 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende], gevestigd te [plaats], belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
Feiten
€ 70.682,52
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, actief in de handel van alcoholische dranken met een AGP-vergunning, kreeg een naheffingsaanslag accijns opgelegd over de periode juni 2015 tot maart 2017. De inspecteur stelde vast dat een voorraad accijnsgoederen ontbrak en dat voor twee zendingen whisky geen ontvangstmelding was ontvangen in het geautomatiseerde systeem.
Belanghebbende voerde aan dat de naheffingsaanslag deels was verjaard en dat de goederen de AGP hadden verlaten, waarbij zij de inspecteur verzocht om navraag te doen bij buitenlandse autoriteiten. De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag tijdig was vastgesteld omdat de belastbare feiten zich vanaf 2016 voordeden en dat de inspecteur voldoende duidelijkheid had gegeven over het tijdvak.
Verder concludeerde de rechtbank dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd dat de twee zendingen whisky daadwerkelijk waren aangekomen bij de geadresseerde, waardoor de onregelmatigheid werd geacht in Nederland te zijn ontstaan. De belastingrente werd eveneens als juist vastgesteld, ondanks de lange onderzoekstermijn, omdat belanghebbende meerdere malen om uitstel had gevraagd en niet tijdig informatie had aangeleverd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking en wees het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: De naheffingsaanslag accijns en de belastingrentebeschikking worden gehandhaafd en het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.