ECLI:NL:RBZWB:2023:2228
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroepen tegen naheffingsaanslagen BPM met vergoeding immateriële schade
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 3 april 2023 uitspraak gedaan in de zaak waarin belanghebbende beroep instelde tegen twee naheffingsaanslagen in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm). De inspecteur had de bezwaren ongegrond verklaard en de naheffingsaanslagen gehandhaafd. Tijdens de zitting trok belanghebbende zijn beroepsgronden in naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad.
De rechtbank verklaarde de beroepen daarom ongegrond. Wel werd vastgesteld dat de bezwaar- en beroepsprocedure langer dan de redelijke termijn had geduurd, namelijk met zes maanden. Belanghebbende kreeg een vergoeding van € 500 voor immateriële schade toegekend, welke volledig voor rekening van de Minister voor Rechtsbescherming komt omdat de termijnoverschrijding zich in de beroepsfase voordeed.
Daarnaast werd de Minister veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 360 en proceskosten van € 837, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank motiveerde de hoogte van de proceskostenvergoeding met een wegingsfactor van 0,5, omdat deze alleen verband hield met de toekenning van immateriële schadevergoeding.
De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: De beroepen tegen de naheffingsaanslagen BPM worden ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding en proceskosten aan belanghebbende.