ECLI:NL:RBZWB:2023:223

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 januari 2023
Publicatiedatum
17 januari 2023
Zaaknummer
AWB - 22 _ 169
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 7:15 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep en afwijzing verzoek proceskostenvergoeding parkeerbelasting

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 17 januari 2023 de beroepen van belanghebbende tegen twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg. Tegen de eerste naheffingsaanslag werd beroep ingesteld, maar deze aanslag werd later door de heffingsambtenaar vernietigd. Belanghebbende trok daarop het beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.

De rechtbank overwoog dat de gevraagde proceskosten, bestaande uit postzegels, enveloppen, inkt, papier en tijdsverlies, niet in aanmerking komen voor vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het verzoek tot proceskostenvergoeding werd daarom afgewezen. Ten aanzien van het tweede beroep, dat al door de heffingsambtenaar was toegewezen, stelde de rechtbank vast dat belanghebbende geen procesbelang meer had en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk.

De rechtbank besloot het beroep met zaaknummer BRE 22/170 niet-ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan belang en het verzoek om proceskostenvergoeding in zaaknummer BRE 22/169 af te wijzen. Tevens wees de rechtbank erop dat het betaalde griffierecht door de heffingsambtenaar moet worden vergoed.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag werd niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 22/169 en 22/170

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2023 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg (de heffingsambtenaar).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 29 november 2021 inzake de naheffingsaanslagen parkeerbelasting van 13 oktober 2021.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd met dagtekening 13 oktober 2021, een met aanslagnummer [aanslagnummer 1] (naheffingsaanslag I) en een met aanslagnummer [aanslagnummer 2] (naheffingsaanslag II).
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen naheffingsaanslag I ongegrond verklaard en tegen naheffingsaanslag II gegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen beide uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.
Belanghebbende heeft op 5 juli 2022 het beroep inzake naheffingsaanslag I ingetrokken en de rechtbank verzocht de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van proceskosten.
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaken niet nodig is.
Gelijktijdig met deze uitspraak is bij afzonderlijke uitspraak beslist op het beroep tegen de naheffingsaanslag van 12 oktober 2021 (zaaknummer BRE 22/168).

Overwegingen

Zaak BRE 22/170
1.1
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende naheffingsaanslag II opgelegd. In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd.
1.2
Gelet op de volledige tegemoetkoming in bezwaar ziet de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag gesteld of belanghebbende nog procesbelang heeft bij dit beroep.
1.3
Bij brief van 25 juli 2022 is aan belanghebbende gevraagd wat het procesbelang is bij (voortzetting van) de beroepsprocedure. Bij aangetekend verzonden brief van 25 augustus 2022 heeft de rechtbank belanghebbende nogmaals om een reactie gevraagd op de brief van 25 juli 2022. Uit track & trace van PostNL is gebleken dat de brief van 25 augustus 2022 op 26 augustus 2022 is bezorgd op het adres van belanghebbende. De rechtbank heeft geen reactie van belanghebbende ontvangen.
1.4
Nu de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag heeft vernietigd, kan het beroep niet meer tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat leiden. Het beroep met zaaknummer BRE 22/170 zal daarom wegens gebrek aan belang kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
Zaak BRE 22/169
2.1
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende naheffingsaanslag I opgelegd. In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd. Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld. Bij brief van 7 juni 2022 heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag vernietigd en aangegeven dat het bedrag van de naheffingsaanslag aan belanghebbende zal worden terugbetaald.
2.2
Belanghebbende heeft bij brief van 5 juli 2022 het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 75, bestaande uit € 10 postzegels en enveloppen, € 5 inkt en papier, en € 60 voor 2 uur ‘
inzien opstellen’.
2.3
De heffingsambtenaar ziet op grond van het Bpb geen grond voor vergoeding van de genoemde kosten.
2.4
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
2.5
Gelet op de vernietiging van naheffingsaanslag I is de heffingsambtenaar tegemoet gekomen aan het beroep van belanghebbende.
2.6
In artikel 1 van Pro het Bpb is bepaald dat een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk Pro een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Awb uitsluitend betrekking kan hebben op:
a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
b. kosten van een getuige of deskundige die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht,
c. kosten van een tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen,
d. reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende,
e. verletkosten van een partij of een belanghebbende,
f. kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, en
g. kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is.
2.7
De rechtbank overweegt dat de gevraagde proceskosten uitsluitend voor vergoeding in aanmerking komen als deze zijn opgenomen in artikel 1 van Pro het Bpb. De door belanghebbende opgevoerde kosten voor postzegels, enveloppen, inkt en papier maken geen onderdeel uit van artikel 1 van Pro het Bpb en komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Voor zover belanghebbende met ‘
inzien opstellen’een vergoeding wenst voor verletkosten voor het tijdverzuim door het opstellen van processtukken of door het lezen van stukken, zijn dit evenmin kosten die kunnen worden gerangschikt onder één van de in artikel 1 van Pro het Bpb genoemde categorieën (vgl. Hoge Raad, 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7940). De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling daarom af.
2.8
De rechtbank wijst erop dat de heffingsambtenaar op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank merkt daarbij op dat belanghebbende voor de drie beroepen met zaaknummers BRE 22/168, 22/169 en 22/170 gezamenlijk eenmaal € 50 griffierecht heeft voldaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep met zaaknummer BRE 22/170 niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om proceskostenveroordeling in het beroep met zaaknummer
BRE 22/169 af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 17 januari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.