De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verkrijgen voor de inschrijving van hun minderjarige kind op basisschool 1, tegen de wil van de vader die de voorkeur gaf aan basisschool 2. Beide ouders oefenden gezamenlijk gezag uit en konden geen overeenstemming bereiken over de schoolkeuze, ondanks meerdere bezoeken aan scholen en een mediationtraject.
De moeder stelde dat basisschool 1 beter aansloot bij de behoeften van het kind, met voordelen zoals een beter inspectierapport, een continue rooster, nabijheid van de gymzaal en een grotere speelplaats. De vader gaf de voorkeur aan basisschool 2 vanwege het digitale onderwijs, de nabijheid van zijn woning, en de mogelijkheid voor het kind om logopedie te ontvangen en bij hem te lunchen. De Raad voor de Kinderbescherming en de mediator adviseerden mediation voort te zetten, maar dit leidde niet tot overeenstemming.
De rechtbank concludeerde dat beide scholen goede opties zijn, maar dat het belang van het kind vraagt om duidelijkheid en continuïteit, vooral met betrekking tot directe startmogelijkheden voor school, buitenschoolse opvang en logopedie. Omdat deze garanties bij basisschool 1 wel aanwezig zijn, verleende de rechtbank de moeder vervangende toestemming om het kind daar in te schrijven. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij zijn eigen kosten draagt.