De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 22 maart 2023 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van verkrachting en het plegen van seksuele handelingen met een onmachtige. De officier van justitie vorderde vrijspraak voor verkrachting wegens gebrek aan bewijs, maar achtte het subsidiaire feit wel bewezen. De verdediging betwistte beide feiten en stelde dat er geen sprake was van dwang of bewustzijnsvermindering.
De rechtbank benadrukte dat in zedenzaken bewijs vaak alleen uit verklaringen van slachtoffer en verdachte bestaat, en dat steunbewijs vereist is. Uit het dossier bleek dat verdachte seksueel contact had met het slachtoffer, maar er was onvoldoende bewijs voor dwang of dat het slachtoffer in een toestand van lichamelijke onmacht verkeerde. De verklaringen van partijen liepen uiteen en er ontbraken toxicologische gegevens.
De rechtbank kon niet vaststellen dat verdachte het slachtoffer had gedrogeerd of dat hij wetenschap had van haar toestand. Ook was er geen bewijs van geweld of bedreiging. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van beide tenlastegelegde feiten. De vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer werd niet-ontvankelijk verklaard en doorverwezen naar de burgerlijke rechter.