ECLI:NL:RBZWB:2023:2313

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 april 2023
Publicatiedatum
6 april 2023
Zaaknummer
22-017624 en 22-017625
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 534 SvArt. 9a SrArt. 535 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning vergoeding voor onterechte voorlopige hechtenis en reiskosten na vrijspraak

Verzoeker werd op 10 april 2021 aangehouden en in verzekering gesteld wegens verdenking van betrokkenheid bij diefstal met geweld. Na voorlopige hechtenis van 90 dagen, waarvan 2 dagen inverzekeringstelling en 88 dagen in een justitiële jeugdinrichting, werd hij op 28 juni 2022 integraal vrijgesproken.

Verzoeker diende verzoeken in op grond van artikelen 530 en 533 Sv voor vergoeding van schade door onterechte inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, reiskosten voor zittingen en kosten voor het opstellen van de verzoekschriften. De officier van justitie stond vergoeding voor de hechtenisdagen en reiskosten toe.

De rechtbank oordeelde dat op grond van billijkheid gronden aanwezig zijn om vergoeding toe te kennen. De vergoeding werd berekend op basis van forfaitaire dagvergoedingen van €130 voor verblijf op het politiebureau en €100 voor verblijf in de justitiële inrichting, resulterend in een totaal van €9.060 voor 90 dagen. Daarnaast werden reiskosten van €25,60 en kosten voor het verzoekschrift van €680 toegekend. Het overige verzoek werd afgewezen.

Uitkomst: Verzoeker krijgt een vergoeding van €9.765,60 voor onterechte voorlopige hechtenis, reiskosten en kosten van het verzoekschrift.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 02-097619-21
rk-nummers: 22-017624 en 22-017625
Beslissing op de verzoekschriften ex artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering
Beslissing op de verzoekschriften ex artikelen 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv) ingekomen ter griffie op 1 augustus 2022, in de zaak:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
wonende te [woonadres] ,
woonplaats kiezende ten kantore van mr. C.J.M. Jansen te (5017 HP) Tilburg, Tivolistraat 18.
Verzoeker is [verzoeker] voornoemd..

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 533 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 9.090,00, € 9.090,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis;
 het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 25,60, voor vergoeding van reiskosten;
  • te vermeerderen met de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift ad € 340,00 dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 28 juni 2022 van waarbij verzoeker is vrijgesproken;
  • de stukken waaruit blijkt dat verzoeker op 10 april 2021 in verzekering is gesteld en op 8 juli 2021 in vrijheid is gesteld;
  • de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie.
Op 21 maart 2023 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks en mr. C.J.M. Jansen als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is aangevoerd dat hij op 10 april 2021 in de strafzaak met bovengenoemd parketnummer is aangehouden en in verzekering is gesteld wegens verdenking van betrokkenheid bij diefstal met geweld. Verzoeker is met ingang van 8 juli 2021 onder voorwaarden geschorst uit de voorlopige hechtenis en is vervolgens bij vonnis van de meervoudige strafkamer van 28 juni 2022 integraal vrijgesproken. Verzoeker stelt schade te hebben geleden door de door hem ondergane voorlopige hechtenis en maakt dit kader aanspraak op een vergoeding van € 390,00 wegens 3 dagen verblijf tijdens inverzekeringstelling op het politiebureau en € 8.700,00 wegens 87 dagen verblijf in een justitiële jeugdinrichting. Daarnaast wordt verzocht om vergoeding van reiskosten ad € 25,60 voor het bijwonen van de zitting op 21 juli 2021 en de zitting op 14 juni 2022, een en ander te vermeerderen met de forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verzoeker een vergoeding toekomt voor de dagen die hij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voor de hoogte van die vergoeding heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verzochte vergoeding van reiskosten voor de zittingen zijn toewijsbaar.

2.De beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd.
Ingevolge artikel 533 Sv Pro kan aan een verdachte die niet wordt veroordeeld of wiens zaak wordt geseponeerd een vergoeding worden toegekend van de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden.
Ingevolge artikel 530 Sv Pro wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in
de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman.
Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Verzoeker is vrijgesproken. De rechtbank acht gronden van billijkheid aanwezig om aan hem een vergoeding toe te kennen voor de dagen die hij onterecht in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Bij het bepalen van het aantal dagen dat de verzoeker in een politiecel of huis van bewaring heeft doorgebracht, wordt zowel de dag waarop de inverzekeringstelling is aangevangen als de dag van de invrijheidstelling naar de maatstaf van een volledige dag vergoed. Ook indien de inverzekeringstelling is aangevangen en geëindigd op één en dezelfde dag en beperkt is gebleven tot enkele uren wordt naar de maatstaf van een volledige dag vergoed.
Verzoeker heeft volgens de berekening van de rechtbank in totaal
90 dagen in verzekering en voorlopige hechtenisdoorgebracht, waarvan 2 op het politiebureau in het kader van de inverzekeringstelling en 88 dagen in een justitiële jeugdinrichting in het kader van de voorlopige hechtenis. De LOVS-uitgangspunten gaan uit van een forfaitaire vergoeding van € 130,00 per dag voor het verblijf op het politiebureau of in het Huis van Bewaring met beperkingen of in een extra beveiligde inrichting (EBI) en € 100,00 in de overige gevallen.
Een dag die begint op basis van een vergoedingsmaatstaf van € 130,00, maar die overgaat in een dag met een vergoedingsmaatstaf van € 100,00 wordt aangemerkt als een dag tegen een vergoedingsmaatstaf van € 100,00. De rechtbank zal naar billijkheid een bedrag toekennen van
€ 9.060,00.
De rechtbank is van oordeel dat de reiskosten in verband met het bijwonen van de zittingen op 21 juli 2021 en 14 juni 2022 voldoende onderbouwd zijn. De rechtbank wijst de verzochte reiskosten ter hoogte van
€ 25,60toe.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van
€ 680,00toegekend.

3.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 9.060,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis;
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 705,60, bestaande uit:
- € 25,60 aan reiskosten in verband met het bijwonen van de zittingen op 21 juli 2021 en 14 juni 2022;
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
wijst het verzoek voor het overige af.
bepaalt dat een bedrag van
€ 9.765,60zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van [stichting] , onder vermelding van “
[kenmerk]”.
Deze beslissing is op 4 april 2023 gegeven door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2023.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 533 en Pro ex 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv Pro).