ECLI:NL:RBZWB:2023:2327
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde woning wegens gebrekkige onderbouwing en toekenning immateriële schadevergoeding
Belanghebbende is eigenaar van een appartement uit 1987 met een garage en berging, waarvan de WOZ-waarde voor 2020 was vastgesteld op €266.000. Tegen deze waarde en de daarbij behorende aanslag OZB maakte belanghebbende bezwaar, dat door de heffingsambtenaar ongegrond werd verklaard. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, met name vanwege het ontbreken van inzichtelijke indexeringspercentages in het taxatierapport.
Belanghebbende kon zijn lagere waarde van €247.000 niet aannemelijk maken. De rechtbank stelde daarom de waarde schattenderwijs vast op €255.000. Daarnaast wees belanghebbende een vergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van drie jaar tussen bezwaar en uitspraak, waarbij een vergoeding van €100 werd toegekend, verdeeld over de heffingsambtenaar en de Staat.
De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar, stelde de WOZ-waarde en de aanslag OZB dienovereenkomstig bij, en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter I.M. Josten op 6 april 2023 en is openbaar gemaakt.
Uitkomst: De WOZ-waarde wordt verminderd naar €255.000 en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding toegekend.