ECLI:NL:RBZWB:2023:2347
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening schorsing en afwijzing WIA- en Ziektewetuitkeringen
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV tot schorsing van haar WIA-uitkering en tegen de afwijzing van haar aanvragen voor een WIA-uitkering, Ziektewetuitkering en een uitkering op grond van de Wet Arbeid en Zorg. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening in deze vier zaken.
De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb besloten de zaak zonder zitting te behandelen. Verzoekster heeft bankafschriften en belastingaangifte overlegd, maar onvoldoende inzicht gegeven in haar volledige financiële situatie, zoals ontbrekende bankafschriften van andere rekeningen en van haar echtgenoot, evenals een overzicht van vaste lasten.
De voorzieningenrechter oordeelt dat hierdoor onvoldoende is aangetoond dat sprake is van een spoedeisend belang. Daarnaast betreffen drie van de zaken inmiddels afgesloten perioden zonder invorderingsacties, en de lopende WIA-uitkering betreft een relatief laag bedrag. Zonder nadere financiële onderbouwing is niet gebleken dat verzoekster door het niet ontvangen van de uitkering in financiële nood verkeert.
Daarom worden de verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak is gedaan op 6 april 2023 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.