ECLI:NL:RBZWB:2023:2367
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering naheffingsaanslag BPM wegens schade en overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM van € 8.135 en belastingrente van € 164. De inspecteur baseerde de aanslag op een hogere vastgestelde BPM van € 17.894 na hertaxatie van de auto, waarbij een lagere CO2-uitstoot en schadebedragen werden betwist.
De rechtbank oordeelde dat de hertaxateur deskundig en onafhankelijk was en dat belanghebbende geen beroep kon doen op een koerslijst vanwege het verschil in CO2-uitstoot. De historische bruto BPM werd vastgesteld op € 59.411 bij een CO2-uitstoot van 288 gr/km. De door belanghebbende opgevoerde schade van € 14.920 werd niet aannemelijk geacht; slechts € 731 schade werd erkend, waarvan € 597 in mindering werd gebracht.
De rechtbank stelde dat normale gebruiksschade niet in mindering kan worden gebracht en dat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde voor een waardevermindering wegens schadeverleden. De naheffingsaanslag werd daarom verminderd tot € 7.498. Tevens werd een immateriële schadevergoeding van € 2.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan € 1.500 voor rekening van de inspecteur en € 500 voor de Minister van Justitie en Veiligheid.
De rechtbank veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd.
Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot € 7.498 en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van € 2.000 wegens overschrijding redelijke termijn.