ECLI:NL:RBZWB:2023:2368
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering naheffingsaanslag BPM wegens normale gebruiksschade en vergoeding immateriële schade
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 799 en belastingrente van € 37, opgelegd door de inspecteur. De kern van het geschil betreft de waardevermindering van een motorrijtuig door schade. Belanghebbende stelde een schadebedrag van € 9.750 ter vermindering van de handelsinkoopwaarde, onderbouwd met een taxatierapport. De inspecteur liet een hertaxatie uitvoeren die geen schade vaststelde, slechts normale gebruiksschade.
De rechtbank oordeelt dat normale gebruiksschade niet in mindering kan worden gebracht op de handelsinkoopwaarde conform artikel 2 van Pro de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. De door belanghebbende gestelde schade is onvoldoende aannemelijk gemaakt en betreft volgens de rechtbank normale gebruiksschade. Daarom moet de afschrijvingstabel worden toegepast, wat leidt tot een vermindering van de naheffingsaanslag tot € 606.
Daarnaast is de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase overschreden met zeven maanden. De rechtbank kent daarom een immateriële schadevergoeding toe van € 1.000, waarvan € 143 voor rekening van de inspecteur en € 857 voor rekening van de Minister van Justitie en Veiligheid. Tevens moet de inspecteur het griffierecht en proceskosten vergoeden aan belanghebbende.
De uitspraak vernietigt het bezwaar van de inspecteur, vermindert de naheffingsaanslag en belastingrente, en veroordeelt tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot € 606 en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.