ECLI:NL:RBZWB:2023:2404
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde woning en vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2019, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €200.000. De heffingsambtenaar verdedigde een waarde van €185.000, terwijl belanghebbende stelde dat de waarde maximaal €166.000 bedroeg. De rechtbank beoordeelde de waarde aan de hand van taxatierapporten, vergelijkingsmethoden en de staat van onderhoud van de woning.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening had gehouden met de slechte staat van onderhoud van de woning, zoals blijkt uit foto’s van de woning in verwaarloosde staat. Ook was niet aannemelijk dat werkzaamheden die de waarde positief beïnvloedden vóór de waardepeildatum waren uitgevoerd. Geen van partijen maakte de door hen verdedigde waarde voldoende aannemelijk, waarna de rechtbank de waarde in goede justitie vaststelde op €170.000.
Daarnaast kende de rechtbank belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsprocedure. De redelijke termijn werd met circa twaalf maanden overschreden, waarvoor een vergoeding van €50 per half jaar werd vastgesteld, totaal €100. De vergoeding werd verdeeld tussen de heffingsambtenaar en de Staat. Tevens werd belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend van €2.401,26 en het griffierecht van €48 vergoed.
De uitspraak vernietigde de uitspraak op bezwaar, verlaagde de WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig, en legde betalingsverplichtingen op aan de heffingsambtenaar en de minister voor de immateriële schadevergoeding.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt vastgesteld op €170.000 en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van €100 wegens termijnoverschrijding.