ECLI:NL:RBZWB:2023:2462
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van naheffingsaanslagen parkeerbelasting en bezwaartermijn
Belanghebbende maakte bezwaar tegen twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Breda vanwege het niet of onvoldoende betalen van parkeerbelasting op 7 en 12 oktober 2020. De heffingsambtenaar verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn, maar erkende later dat het bezwaarschrift tijdig was ingediend, waarna het standpunt werd gewijzigd maar de naheffingsaanslagen werden gehandhaafd.
De rechtbank oordeelde dat het beroep gegrond is omdat het bezwaarschrift tijdig was ingediend. Terugwijzing naar de heffingsambtenaar werd achterwege gelaten omdat partijen geen zitting wensten en de heffingsambtenaar een inhoudelijk standpunt innam. De rechtbank beoordeelde vervolgens zelf de rechtmatigheid van de naheffingsaanslagen.
De rechtbank stelde vast dat de auto van belanghebbende op de genoemde data geparkeerd stond zonder voldoende betaling van parkeerbelasting, hetgeen niet werd betwist. De naheffingsaanslagen waren correct berekend op basis van een forfaitaire parkeerduur van een uur, conform artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet en de Verordening Parkeerbelastingen Breda 2020.
De rechtbank verklaarde de bezwaren ongegrond, handhaafde de naheffingsaanslagen en bepaalde dat de heffingsambtenaar het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende moet vergoeden. De uitspraak verving de vernietigde uitspraken op bezwaar en werd openbaar gemaakt op 12 april 2023.
Uitkomst: De beroepen worden gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, maar de naheffingsaanslagen blijven terecht en op juiste hoogte in stand.