De man wil graag omgang met [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 1] , maar daarover gemaakte afspraken worden volgens hem door de vrouw niet nagekomen. Om die reden verzoekt de man ook een dwangsom aan de nakoming van de omgangsregeling te verbinden. Hij heeft [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 1] in februari 2022 voor het laatst gezien en hij mist hen. De man beseft dat er niet onmiddellijk sprake kan zijn van tweewekelijks contact, maar hij wil graag bezien hoe het contact kan worden hersteld. Daarbij kan in bepaalde waarborgen worden voorzien, bijvoorbeeld door omgang onder begeleiding te laten plaatsvinden en door het stellen van duidelijke voorwaarden aan de man, waaronder het contact plaats kan vinden. In veel zaken waarin sprake is van een ondertoezichtstelling en huiselijk geweld wordt toch vaak ingezet op de totstandkoming van een omgangsregeling en dat zou, volgens de man, in deze situatie ook het uitgangspunt moeten zijn. Het belang van de kinderen vereist ook dat zij contact hebben met de man en [minderjarige 3] geeft aan dat ook te willen. De man verzoekt de Raad om onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden van contact en het verzoek anders aan te houden.
De vrouw staat in beginsel niet afwijzend tegenover omgang tussen de man en de kinderen, maar zij acht het onmogelijk om onder de gegeven omstandigheden een omgangsregeling tot stand te brengen. Veiligheid moet immers voorop staan en de vrouw ziet niet hoe daaraan vorm kan worden gegeven. Zij acht omgang momenteel dan ook in strijd met de zwaarwegende belangen van de kinderen en zij verzoekt om die reden de man het recht op omgang te ontzeggen. Gelet op de omstandigheden vindt zij een raadsonderzoek overbodig. Desondanks gunt zij de kinderen omgang met de man en zij hoopt dat hiervoor in de toekomst wel mogelijkheden ontstaan.
De bijzondere curator acht een omgangsregeling, in welke vorm dan ook, momenteel niet haalbaar. De situatie is precair en de vrouw heeft met de kinderen al een aantal keren voor de man moeten vluchten. De veiligheid van de vrouw en [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 1] vereist dat de kinderen tijdens het contact met de man op geen enkele wijze informatie aan de man verstrekken over hun verblijfplaats of daaraan gerelateerde zaken, op basis waarvan de man die verblijfplaats kan achterhalen. Dat betekent dat ze niets mogen vertellen over hun vriendjes, school of bijvoorbeeld hobby’s. Dat vindt de bijzondere curator ondoenlijk en te belastend voor de kinderen.
De Raad erkent het belang van contact tussen de man en [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 1] , ook gelet op hun identiteitsontwikkeling. Dat contact moet dan echter wel veilig en onbelast zijn. Gelet op de geheimhoudingsplicht en daarmee gepaard gaande risico’s zullen de kinderen gedurende de contacten met de man constant op hun hoede moeten zijn en dat maakt dat het contact op voorhand al niet op onbelaste wijze plaats kan vinden. Daarmee is omgang, volgens de Raad, niet in het belang van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 1] . De Raad ziet ook geen meerwaarde in een raadsonderzoek, omdat op voorhand geen mogelijkheden worden gezien om te komen tot een onbelaste vorm van contact, zelfs niet in het kader van een ondertoezichtstelling.