Deze uitspraak betreft het beroep tegen een naheffingsaanslag BPM van €45.304 en daarbij in rekening gebrachte belastingrente opgelegd aan een besloten vennootschap die op 10 mei 2021 is opgehouden te bestaan wegens gebrek aan baten. De gemachtigde van eiseres diende op 14 juni 2021 een beroepschrift in, maar op dat moment bestond de rechtspersoon niet meer.
De rechtbank oordeelt dat een gemachtigde een geldige machtiging moet overleggen om namens een ander beroep in te stellen. De overgelegde machtiging dateert van 16 juni 2021, na het moment van ontbinding, waardoor deze niet rechtsgeldig is. De rechtbank concludeert dat het beroepschrift niet gevolmachtigd is ingediend en verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De inspecteur verzocht om proceskostenveroordeling wegens vermeend misbruik van recht, maar dit verzoek werd afgewezen omdat onvoldoende bewijs werd geleverd. Verzoeken om immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding werden eveneens afgewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak inhoudelijk te behandelen en het betaalde griffierecht wordt niet terugbetaald.