ECLI:NL:RBZWB:2023:2543
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over niet tijdig beslissen op herbeoordeling kinderopvangtoeslag
Eiseres heeft op 31 maart 2021 een verzoek ingediend tot herbeoordeling van haar situatie met betrekking tot de kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst had uiterlijk op 30 september 2021 moeten beslissen, met een mogelijke verlenging tot 31 maart 2022. Verweerder stelde de termijn op 31 augustus 2021 met zes maanden verlengd, maar heeft niet tijdig beslist.
Eiseres stelde verweerder op 23 maart 2022 in gebreke, welke ingebrekestelling op 29 maart 2022 werd ontvangen. Hoewel de ingebrekestelling net vóór het verstrijken van de beslistermijn werd ontvangen, acht de rechtbank deze geldig en verklaart het beroep gegrond.
De rechtbank draagt verweerder op binnen tien weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen en legt een dwangsom van € 100,- per dag op bij overschrijding, met een maximum van € 15.000,-. Tevens moet verweerder het betaalde griffierecht en proceskosten van € 418,50 aan eiseres vergoeden.
Verweerder had verzocht om een langere termijn van minimaal dertien weken vanwege de grote hoeveelheid herbeoordelingen, maar de rechtbank acht tien weken een redelijke termijn. Een verlenging van de termijn wegens vertraging door eiseres wordt niet toegewezen.
De uitspraak is gedaan door rechter R.P. Broeders op 14 april 2023 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de Belastingdienst op binnen tien weken alsnog te beslissen met oplegging van een dwangsom.