Eiser maakte bezwaar tegen het UWV-besluit van 1 oktober 2020 waarin zijn IVA-uitkering werd beëindigd en een loongerelateerde WGA-uitkering werd toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 36,97% per 2 december 2020. De rechtbank stelde in een tussenuitspraak dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de passendheid en duurzaamheid van het feitelijk verrichte werk, mede omdat geen werkplekonderzoek was verricht en de belasting van het werk onvoldoende was onderzocht.
Het UWV kreeg de gelegenheid om het gebrek te herstellen door aanvullend onderzoek, maar de ingediende rapportage van de arbeidsdeskundige B&B voldeed niet. De rechtbank oordeelde dat de motivering onvoldoende was, met name omdat de arbeidsdeskundige geen werkplekonderzoek had uitgevoerd en geen nadere bevraging van eiser en zijn werkgever had gedaan. Ook was de ziekteverzuimregistratie onvolledig onderzocht.
De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit niet zorgvuldig was voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, in strijd met de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van eiser werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het UWV opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het griffierecht en proceskosten aan eiser toegekend.