Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[de moeder] ,
[de vader] ,
Het procesverloop
- mr. Mouwen, namens de moeder;
- [zorgverlener] , namens de GI (via een tweezijdige beeld- en geluidsverbinding via MS Teams).
- de moeder (in persoon);
- de vader.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zaak betreft een verzoek van de Gecertificeerde Instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2007. De minderjarige verblijft op een behandelgroep en zal naar verwachting in mei 2023 worden overgeplaatst naar een trainingshuis. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag, maar zijn momenteel onvoldoende in staat om voor de minderjarige te zorgen. De moeder is terminaal ziek en daardoor beperkt beschikbaar, terwijl de vader sinds december 2021 gedetineerd is en geen contact onderhoudt.
De GI stelt dat de minderjarige ernstig wordt bedreigd in zijn ontwikkeling, mede door zijn grenzeloze gedrag en verwijdering van school. De hulpverlening wordt onvoldoende geaccepteerd door de ouders. De moeder erkent haar beperkingen door ziekte maar voert geen verweer tegen de verlenging. De kinderrechter oordeelt dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk zijn en verlengt deze voor een jaar tot 22 april 2024. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en het contact tussen moeder en minderjarige dient, voor zover mogelijk, te worden onderhouden.
De kinderrechter wijst erop dat de GI de Raad voor de Kinderbescherming zal verzoeken een onderzoek te verrichten naar een mogelijke gezagsbeëindigende maatregel. Totdat hierover een beslissing is genomen, wordt verwacht dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn weer in staat zullen zijn de zorg op zich te nemen. Het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.
Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd tot 22 april 2024.