Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit (primair en subsidiair).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 2 juni 2021 heeft een groep onbekende personen geprobeerd om een aangever met geweld te dwingen tot afgifte van 60.000 euro. Dit geweld bestond uit slaan en stompen en vond plaats in twee woningen aan verschillende adressen in een plaats. Verdachte haalde de aangever op en bracht hem naar de woning waar de poging tot afpersing plaatsvond.
De rechtbank oordeelt dat verdachte niet op de hoogte was van de poging tot afpersing en geen bewustzijn had van de aanmerkelijke kans dat dit zou gebeuren. Verdachte verklaarde dat hij de aangever naar de woning bracht om wiet te kopen, een scenario dat niet door het dossier wordt weerlegd.
Omdat de vereiste opzet op het gronddelict niet wettig en overtuigend is bewezen, spreekt de rechtbank verdachte vrij van medeplichtigheid aan zowel de poging tot afpersing als de mishandeling. De rechtbank acht de dagvaarding geldig, is bevoegd en verklaart de officier van justitie ontvankelijk.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van medeplichtigheid aan poging tot afpersing en mishandeling wegens ontbreken van opzet.