Uitspraak
1.[gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 11 januari 2023 met de daarin genoemde stukken;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 maart 2023.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Partijen zijn familie en sloten een geldleningsovereenkomst waarbij eiseres €10.000,- aan gedaagden leende om hun zoon uit Oekraïne te halen. De terugbetalingstermijn was onduidelijk: eiseres stelde dat terugbetaling binnen drie maanden na uitbetaling moest plaatsvinden, terwijl gedaagden stelden dat de termijn pas zou ingaan na terugkeer van hun zoon in Nederland plus drie maanden.
De rechtbank hanteerde de Haviltex-maatstaf en oordeelde dat gedaagden niet mochten uitgaan van een onzekere opschortende voorwaarde die onduidelijkheid veroorzaakte over het moment van terugbetaling. Eiseres had nadrukkelijk om een termijn gevraagd en mocht niet akkoord zijn gegaan met een mogelijk jarenlange opschorting.
De kantonrechter stelde vast dat de terugbetalingstermijn inmiddels was verstreken en dat de lening opeisbaar was. Er waren geen tussentijdse betalingen gedaan, zodat het volledige bedrag met rente werd toegewezen. De gevorderde incassokosten werden afgewezen wegens ontbreken van een correcte aanmaning. Gedaagden werden veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot terugbetaling van €10.000,- met wettelijke rente vanaf 30 juni 2022.