4.3Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 1
Verdachte heeft per januari 2015 als interim-manager directie gevoerd voor het [bedrijf 1] , zoals ook blijkt uit de opdrachtbevestiging [bedrijf 2] / [bedrijf 1] aan [bedrijf 3] . Deze opdrachtbevestiging is op 18 december 2014 ondertekend door [zoon verdachte] namens [bedrijf 2] / [bedrijf 1] en verdachte namens [bedrijf 3] .
Vanaf augustus 2015 heeft verdachte een BMW met [kenteken] geleased van [bedrijf 1] , die deze BMW weer heeft geleased van BMW Nederland. De BMW stond vanaf
15 juli 2015 op naam van [bedrijf 1] . In de opdrachtbevestiging is niets opgenomen over de leaseovereenkomst zodat niet vast te stellen is dat het gebruik van de auto samenhing met de looptijd van de opdrachtbevestiging. De rechtbank kan daarom niet uitsluiten dat de leaseovereenkomst betreffende de auto een losstaande overeenkomst was die niet werd geraakt door beëindiging van de opdrachtbevestiging.
Met ingang van 30 november 2015 werd de samenwerkingsovereenkomst tussen verdachte en [bedrijf 1] beëindigd. Niet is komen vast te staan dat daarmee ook de leaseovereenkomst betreffende de BMW werd beëindigd. Uit het dossier blijkt niet dat de lease-overeenkomst tussen [bedrijf 1] en verdachte in de tenlastegelegde periode is beëindigd. Uit een e-mailbericht van 9 maart 2016 van aangeefster aan verdachte volgt dat aan verdachte wordt medegedeeld dat is ‘besloten om voorlopig de regeling met de auto te handhaven om op die manier de openstaande facturen te compenseren’. Gelet op deze feiten en omstandigheden kan niet worden uitgesloten dat er aan het gebruik van de BMW door verdachte een overeenkomst ten grondslag ligt. Van wederrechtelijke toeëigening is in dat geval geen sprake. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit feit.
Ten aanzien van feit 2
Ten behoeve van een hypotheekaanvraag van [zoon verdachte] zijn door hem gebruikt:
- een arbeidsovereenkomst tussen hem en [bedrijf 5] , ondertekend
op 3 juni 2013 door [zoon verdachte] en verdachte;
- een werkgeversverklaring van 11 juni 2016 waarop de handtekening van verdachte en [accountant] staan;
- een salarisspecificatie van mei 2016.
Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst overweegt de rechtbank dat tussen [bedrijf 5] en [zoon verdachte] op 3 juni 2013 overeengekomen is dat [zoon verdachte] voor zijn werkzaamheden als directeur een salaris zou ontvangen van € 6.500,- bruto per maand. Uit inkomensgegevens van de Belastingdienst blijkt dat dit salaris niet is uitbetaald. Dit maakt echter niet dat de arbeidsovereenkomst vals is opgemaakt, maar slechts dat niet het salaris is uitbetaald dat was overeengekomen.
Op de werkgeversverklaring is op 11 juni 2016 een jaarinkomen opgenomen dat niet strookt met de gegevens van de Belastingdienst van dat jaar noch van de jaren daarvoor, zodat vaststaat dat deze werkgeversverklaring vals is opgemaakt puur ten behoeve van de aanvraag van de hypotheek door [zoon verdachte] . Op deze verklaring is onderaan de naam en handtekening van verdachte opgenomen. [zoon verdachte] heeft één keer verklaard dat zijn vader, verdachte, deze verklaring heeft ondertekend, maar verdachte heeft dat ontkend. Er is van dit document alleen een kopie teruggevonden. Ook de bank beschikte niet over het origineel. Hierdoor was nader onderzoek aan dit document en in het bijzonder aan de handtekening van verdachte niet mogelijk. Het dossier bevat e-mailberichten ten aanzien van deze werkgeversverklaring, maar bij deze correspondentie zijn alleen [zoon verdachte] en [accountant] betrokken, verdachte niet. Het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank daarom onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte betrokken was bij het valselijk opmaken van de werkgeversverklaring.
Uit het dossier volgt dat ook de salarisspecificatie vals is opgemaakt, maar ook ten aanzien van dit stuk blijkt niet dat verdachte hierbij betrokken was.
Gelet op het voorgaande bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor dit feit. De rechtbank zal hem daarom hiervan vrijspreken.
Ten aanzien van feit 3
Uit de verklaringen van verdachte en aangever komt naar voren dat verdachte aangever heeft gevraagd om zijn zoon, [zoon verdachte] , een lening te verstrekken van € 100.000,- omdat die bezig was een bedrijf op te starten en geld nodig had. Aangever heeft deze lening verstrekt, omdat verdachte hem zou hebben gezegd dat hij projecten zou aanbrengen bij aangever als [zoon verdachte] de lening niet zou terugbetalen. Verdachte heeft verklaard dat hij wel projecten zocht voor aangever, maar dat dat niet in relatie stond met de lening die is verstrekt.
Er is een schuldverklaring opgesteld die op 1 april 2013 is ondertekend door aangever en [zoon verdachte] . Ook de naam van verdachte is voor akkoord genoemd, maar de schuldverklaring is niet door hem ondertekend. In de schuldverklaring is onder meer opgenomen de hoogte van de lening en het gegeven onderpand betreffende 50% van de aandelen in [bedrijf 2] Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij deze schuldverklaring nooit eerder heeft gezien.
In de tenlastelegging zijn twee onderdelen opgenomen die naar de rechtbank begrijpt samen vormgeven aan het oplichtingsmiddel ‘samenweefsel van verdichtsels’. In deze onderdelen is niet opgenomen de omstandigheid dat verdachte wist dat zijn zoon schulden had, maar dit niet heeft gemeld aan aangever. In het requisitoir heeft deze omstandigheid een grote rol in de bewijsconstructie, maar nu dit niet ten laste is gelegd kan de rechtbank hiermee geen rekening houden.
Het eerste onderdeel bevat aangevers stelling dat verdachte tegen hem zou hebben gezegd dat hij, verdachte, wel kon zorgen voor het aanbrengen van projecten bij aangever, zodat op die wijze de schuld die zoon had kon worden afgelost als terugbetaling achterwege zou blijven. Verdachte heeft ontkend dat hij dit heeft gezegd in verband met de op dat moment nog te verstrekken lening. Uit de verklaringen van aangever en verdachte blijkt dat zij vóór het afsluiten van de lening op zakelijk gebied al met projecten hebben samengewerkt. Als verdachte na het verstrekken van de lening nog projecten heeft aangebracht bij aangever is niet zonder meer duidelijk dat dat zou samenhangen met de verstrekte lening aan de zoon van verdachte. Nu het dossier alleen de verklaring van aangever bevat dat die samenhang er wel was is die verklaring onvoldoende aannemelijk geworden.
Het tweede onderdeel bevat het in de schuldverklaring opgenomen pandrecht op 50% van de aandelen van [bedrijf 2] Uit het dossier blijkt niet dat verdachte voorafgaand aan de verstrekking van de lening wist dat dat als zekerheidstelling voor de lening zou worden gegeven. Zowel aangever als verdachte verklaren niet dat zij hier voorafgaand aan het verstrekken van de lening over hebben gepraat.
Omdat niet gebleken is dat verdachte bij dit onderdeel van het ten laste gelegde samenweefsel van verdichtsels is betrokken, en het andere onderdeel onvoldoende aannemelijk is geworden zal de rechtbank verdachte ook van dit feit vrijspreken.