ECLI:NL:RBZWB:2023:2908

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 maart 2023
Publicatiedatum
28 april 2023
Zaaknummer
AWB- 23_1333 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 25 januari 2023 van het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers waarin zijn aanvraag om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet werd afgewezen. Hij verzocht om een voorlopige voorziening, waarbij het griffierecht niet was betaald maar hij vrijstelling wegens betalingsonmacht kreeg.

De voorzieningenrechter stelde vast dat het bestreden besluit betrekking had op de periode 1 augustus 2022 tot en met 27 oktober 2022, de eerste aanvraag van verzoeker. Verzoeker had later een tweede aanvraag ingediend met een verklaring dat hij tot 8 november 2022 voldoende inkomsten had gehad.

Verzoeker stelde dat hij vanaf 1 augustus 2022 geen inkomsten had omdat hij een bedrag aan ziekengeld had ontvangen dat hij met terugwerkende kracht moest terugbetalen. De voorzieningenrechter oordeelde dat dit onvoldoende spoedeisend belang opleverde voor een voorlopige voorziening, mede omdat het terugbetalen nog niet zeker was.

De voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de procedure bedoeld is om in afwachting van bezwaar of beroep een voorlopige maatregel te treffen en spoedeisendheid daarbij een belangrijke rol speelt. Er was onvoldoende reden om de bijstand reeds voorlopig toe te kennen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/1333 PW VV

uitspraak van 9 maart 2023 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker,

en

het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 25 januari 2023 van Baanbrekers (bestreden besluit) inzake de afwijzing van zijn aanvraag om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet.
Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het griffierecht niet is betaald. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het betalen van griffierecht wegens betalingsonmacht. Omdat niet gebleken is dat verzoeker op dit moment enig inkomen heeft, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker niet in verzuim is, zodat zijn verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk is.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
2. Uit de stukken blijkt dat verzoeker in september 2022 een aanvraag om bijstand heeft gedaan met als gewenste ingangsdatum 1 augustus 2022. Deze aanvraag is met het besluit van 27 oktober 2022 afgewezen. Op 8 november 2022 heeft verzoeker een nieuwe aanvraag om bijstand gedaan. Het bestreden besluit ziet op de eerste aanvraag om bijstand.
3. Met de brief van 28 februari 2023 heeft de griffier aan verzoeker meegedeeld dat de afwijzing van zijn eerste aanvraag betrekking heeft op de periode 1 augustus 2022 tot en met 27 oktober 2022. Omdat uit de stukken is gebleken dat verzoeker bij zijn tweede aanvraag om bijstand heeft verklaard tot 8 november 2022 genoeg inkomsten te hebben gehad, heeft de griffier aan verzoeker gevraagd om het (spoedeisend) belang toe te lichten.
4. Verzoeker heeft met zijn email van 5 maart 2023 een nadere toelichting gegeven. Verzoeker heeft gesteld momenteel geen inkomsten te hebben. Hij heeft toegelicht dat hij op 23 december 2022 een bedrag van € 3.142,-- aan ziekengeld heeft ontvangen van zijn werkgever. Dit bedrag heeft betrekking op de periode 1 augustus 2022 tot 1 december 2022 dan wel 1 januari 2023. Verzoeker heeft verder gesteld dat zijn werkgever hem inmiddels met terugwerkende kracht hersteld heeft gemeld per 1 augustus 2022 en dat hij een bedrag van € 2.940,-- terug moet betalen. Verzoeker is van mening dat daarom gesteld moet worden dat hij vanaf 1 augustus 2022 geen inkomsten heeft gehad.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de toelichting van verzoeker onvoldoende blijkt van een spoedeisend belang bij een oordeel over het recht op bijstand over de periode 1 augustus 2022 tot en met 27 oktober 2022. Verzoeker heeft immers over deze periode inkomsten gehad. Dat hij (een deel van) deze inkomsten terug moet betalen doet daaraan niet af. Overigens blijkt uit de email van verzoeker dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen de hersteldverklaring, zodat ook nog niet zeker is dat verzoeker het bedrag van € 2.940,-- daadwerkelijk terug zal moeten betalen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 9 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.