Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van een autowasplaats te Tilburg, vastgesteld op €748.000 per 1 januari 2020. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde, onderbouwd met stichtingskosten en een vraagprijs van €1.500.000. Belanghebbende betwistte de gehanteerde stichtingskosten en verwees naar vergelijkingen met andere autowasplaatsen en de coronapandemie.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar zijn bewijslast niet had voldaan, onder meer doordat onduidelijk bleef wat de status van de bouw was op de waardepeildatum en waarop de stichtingskosten waren gebaseerd. Ook werden stukken die de heffingsambtenaar wilde toevoegen geweigerd vanwege bezwaar van belanghebbende. Belanghebbende gaf geen onderbouwde alternatieve waarde, waardoor de rechtbank de waarde in goede justitie vaststelde op €745.000.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn van twee jaar voor behandeling van bezwaar en beroep met twee maanden was overschreden. Gezien het beperkte financiële belang kende de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van €50, te betalen door de minister. Tevens werden proceskosten van €2.266 aan belanghebbende toegekend en het griffierecht van €360 vergoed.
De uitspraak vernietigt de eerdere uitspraak op bezwaar, vermindert de WOZ-waarde en aanslag OZB dienovereenkomstig, en veroordeelt de minister en heffingsambtenaar tot betaling van respectievelijk de immateriële schadevergoeding en proceskosten.