Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van een hotel/motel in Tilburg, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €495.000 per 1 januari 2020. De heffingsambtenaar baseerde de waardering op de huurwaardekapitalisatiemethode, onderbouwd met vijf referentieobjecten, die volgens de rechtbank onvoldoende vergelijkbaar zijn met het hotelobject.
Belanghebbende voerde aan dat de waarde te hoog was vastgesteld, mede vanwege het onjuiste leegstandsrisico en de gevolgen van de coronapandemie, waarbij een verlaging van 40% werd voorgesteld. De rechtbank oordeelde dat de coronagevolgen op de waardepeildatum nog niet relevant waren en dat belanghebbende deze verlaging niet aannemelijk had gemaakt.
De rechtbank stelde vast dat de heffingsambtenaar zijn waardebepaling onvoldoende had onderbouwd en dat geen van beide partijen een aannemelijke waarde had gepresenteerd. Daarom stelde de rechtbank de WOZ-waarde vast op €475.000. Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep met één maand was overschreden, waarop een immateriële schadevergoeding van €50 werd toegekend, te betalen door de minister.
Tot slot veroordeelde de rechtbank de heffingsambtenaar tot betaling van proceskosten van €2.266 en tot vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende.