Uitspraak
1.De procedure
2.Het oorspronkelijke vonnis
naar eenvervolgvoorziening, meewerkt aan die betreffende plaatsing.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 4 mei 2023 de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd aan een minderjarige verdachte. De verdachte had zich niet gehouden aan de bijzondere voorwaarden, waaronder het meewerken aan plaatsing en behandeling, en was begin februari 2023 weggelopen en ruim vier weken onvindbaar geweest.
De verdediging voerde aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn voor behandeling van de vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging. De rechtbank oordeelde echter dat deze overschrijding niet tot niet-ontvankelijkheid leidt en behandelde de vordering inhoudelijk.
De rechtbank weegt mee dat bij het oorspronkelijke vonnis in december 2022 een voorwaardelijke PIJ-maatregel werd opgelegd omdat een onvoorwaardelijke maatregel toen niet in het belang van de verdachte werd geacht. Inmiddels is de situatie veranderd doordat de verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt en de behandelplek bij de jeugdzorginstelling is komen te vervallen.
Deskundigen en de Raad voor de Kinderbescherming adviseren een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, omdat de verdachte intensieve en langdurige behandeling nodig heeft die niet binnen het voorwaardelijke kader kan worden gerealiseerd. De rechtbank volgt dit advies en gelast de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel om de veiligheid en het belang van de verdachte te waarborgen.
De beslissing is genomen door mr. Bogaert, mr. Toekoen en mr. Combee, kinderrechters, waarbij mr. Combee niet heeft medeondertekend.
Uitkomst: De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke PIJ-maatregel wegens overtreding van de bijzondere voorwaarden door de verdachte.