De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 4 mei 2023 uitspraak gedaan in een zaak waarin een werknemer op staande voet was ontslagen wegens vermeende werkweigering. De werknemer was niet ingeroosterd op de dag van de vermeende werkweigering, en de werkgever had het rooster op korte termijn aangepast zonder redelijke overleg. De rechtbank oordeelde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was omdat er geen dringende reden was en de werkgever niet had voldaan aan de redelijkheid en overlegplicht bij roosterwijziging.
De arbeidsovereenkomst was aanvankelijk voor zeven maanden en werd stilzwijgend verlengd. De kantonrechter stelde vast dat de arbeidsovereenkomst niet voor onbepaalde tijd was voortgezet. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, een transitievergoeding en een billijke vergoeding, waarbij rekening werd gehouden met de beperkte periode dat de werknemer zonder inkomen zat en haar huidige baan.
Verder werd geoordeeld dat de verrekening van min-uren door de werkgever onterecht was, behalve voor de opgenomen vakantie-uren. De werkgever moest een nabetaling doen van achterstallig loon, inclusief wettelijke verhoging en rente. Ook werden buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten aan de werknemer toegewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.