Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[verhuurder] B.V.,
[huurder] B.V.,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Partijen zijn een tijdelijke huurovereenkomst aangegaan voor een horecapand met bijbehorende faciliteiten, aanvankelijk voor 20 maanden vanaf 1 mei 2021. Voor het verstrijken van deze termijn is een verlenging overeengekomen van 10 maanden tot 31 oktober 2023. De huurovereenkomst valt onder artikel 7:301 lid 1 BW Pro en is derhalve korter dan twee jaar.
Op grond van artikel 7:291 lid 3 BW Pro kunnen partijen vóór het verstrijken van twee jaar afwijkende bedingen overeenkomen mits de rechter deze goedkeurt. De kantonrechter oordeelt dat het verzoek tot goedkeuring tijdig is ingediend. Het addendum bevat een beding waarbij de huurovereenkomst wordt verlengd en zonder opzegging eindigt op 31 oktober 2023, met een boeteclausule voor het niet tijdig ontruimen.
De kantonrechter stelt vast dat de rechten van de huurder door deze afwijking niet wezenlijk worden aangetast, mede omdat de huurder financieel niet afhankelijk is van de exploitatie van het gehuurde en het pand reeds als horecazaak was ingericht. De maatschappelijke positie van de huurder behoeft geen extra bescherming. De kosten van de procedure worden door partijen zelf gedragen.
Uitkomst: Goedkeuring verleend aan de afwijkende bedingen in de tijdelijke huurovereenkomst met verlenging en beëindiging zonder opzegging.