ECLI:NL:RBZWB:2023:3244

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 april 2023
Publicatiedatum
12 mei 2023
Zaaknummer
10160280 CV EXPL 22-3257 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Ebben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 6 BWArt. 6:248 lid 2 BWRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering medische behandeling en rente in verband met toeslagenaffaire

Stichting Kliniek Naaldwijk (SKN) vordert betaling van een bedrag van €1.363,53 plus contractuele rente van 0,65% per maand of wettelijke rente van gedaagde, die de medische behandeling erkent te hebben ondergaan. Gedaagde voert aan gedupeerde te zijn van de toeslagenaffaire en betwist de redelijkheid van de contractuele rente en buitengerechtelijke kosten vanwege een moratorium.

De kantonrechter stelt vast dat de hoofdsom van €1.099,95 onbetwist is en toewijsbaar. Het beroep van gedaagde op het moratorium en het uitstellen van betaling via de Stichting Bescherming Nabetalingen (SBN) wordt verworpen, omdat SKN niet verplicht was de procedure bij SBN af te wachten. De buitengerechtelijke kosten worden toegewezen omdat het moratorium onvoldoende is onderbouwd.

De kantonrechter oordeelt dat de contractuele rente niet onredelijk is volgens Europese richtlijnen, maar op grond van artikel 6:248 lid 2 BW Pro en bijzondere omstandigheden in deze zaak wordt de contractuele rente buiten toepassing gelaten en wordt de wettelijke rente toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €1.299,59 plus wettelijke rente en de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €1.299,59 plus wettelijke rente en proceskosten, waarbij de contractuele rente buiten toepassing wordt gelaten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster I Civiele kantonzaken
Breda
zaak/rolnr.: 10160280 CV EXPL 22-3257
vonnis d.d. 5 april 2023
inzake
de stichting Stichting Kliniek Naaldwijk,
gevestigd te Naaldwijk,
eiseres,
gemachtigde: MediCas B.V. te Breda,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonadres] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. R.S. Wijling, advocaat te Rotterdam.
Partijen worden hierna aangeduid als “SKN” en “ [gedaagde] ”.

1.Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
a. de dagvaarding van 10 oktober 2022 met producties;
b. de conclusie van antwoord 29 november 2022 met producties;
c. de conclusie van repliek van 28 december 2022 met producties;
d. de conclusie van dupliek van 7 maart 2023.

2.Het geschil en de beoordeling

2.1
SKN vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.363,53, te vermeerderen met de contractuele rente van 0,65% per maand, dan wel de wettelijke rente, over een bedrag van € 1.099,95 vanaf de vervaldata van de facturen tot de dag van de algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proces- en nakosten.
2.2
[gedaagde] erkent dat hij de medische behandeling heeft ondergaan en dat hij het daarmee gemoeide bedrag dient te voldoen. Hij geeft aan gedupeerde te zijn van de zogenoemde toeslagenaffaire. Dit heeft hij ook bericht aan de gemachtigde van SKN, maar van die zijde is geen bereidheid getoond om een minnelijke regeling te bereiken, dan wel de procedure bij de SBN af te wachten. Dit had wel van haar mogen worden verwacht, zodat daarmee de vordering dient te worden afgewezen. Voorts zijn in die periode zelfs buitengerechtelijke kosten gemaakt, terwijl deze niet mochten worden gemaakt in verband met het moratorium dat gold voor [gedaagde] . Tot slot is het, gelet op die omstandigheden, niet redelijk de contractuele rente in rekening te brengen.
2.3
Op het verweer van [gedaagde] voert SKN aan dat de vordering niet binnen de Catshuisregeling valt, zodat [gedaagde] deze zelf dient te voldoen. Daarbij ziet de regeling bij de SBN op uitzonderingsituaties, zodat er niet van kan worden uitgegaan dat [gedaagde] hieronder gaat vallen. Bovendien ook als de vordering onder één van de regelingen viel, mocht SKN [gedaagde] blijven aanschrijven. Bij het uitbrengen van de dagvaarding heeft de deurwaarder van SKN nog gecontroleerd of de vordering van SKN door [gedaagde] was ingeschreven bij SBN, maar dit bleek niet het geval te zijn. Voor zover e-mailberichten van [gedaagde] SKN, dan wel haar gemachtigde, hebben bereikt is er telkens gereageerd en meegedacht over een minnelijke regeling. Het was juist [gedaagde] die zich in dit traject niet coöperatief opstelde.
2.4
De kantonrechter constateert dat de hoogte en verschuldigdheid van de hoofdsom van een bedrag van € 1.099,95 tussen partijen vaststaat, zodat dit bedrag in beginsel toewijsbaar is. [gedaagde] voert nog aan dat het op de weg van SKN had gelegen de procedure bij SBN af te wachten. Naar het oordeel van de kantonrechter regardeert de procedure van [gedaagde] bij SBN SKN echter niet, zodat zij daartoe niet verplicht kon worden. Dit onderdeel van de vordering zal worden toegewezen.
2.5
Met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke kosten overweegt de kantonrechter dat gemotiveerd wordt betwist door SKN dat zij geen aanmaningen meer mocht sturen en daarnaast dat het moratorium op de schulden van [gedaagde] op het moment van het sturen van de veertiendagenbrief (22 maart 2022) nog van toepassing was. Dit laatste is, naar het oordeel van de kantonrechter, onvoldoende door [gedaagde] onderbouwd. De verwijzing naar het als productie 5 overgelegde deel van de brief van 23 juni 2021 is daartoe onvoldoende, omdat hieruit niet volgt dat het moratorium pas op 21 juni 2021 is ingegaan en evenmin dat het schuldeisers niet is toegestaan tijdens het moratorium aanmaningen te sturen. Dit leidt ertoe dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten in beginsel toewijsbaar zijn, zodat het eerste argument van SKN geen behandeling meer behoeft. Voorts volgt uit de overgelegde stukken dat SKN aan de geldende eisen van 6:96 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft voldaan en komt het gehanteerde tarief overeen met de geldende tarieven. Een bedrag van € 199,64 (inclusief btw) is dan ook toewijsbaar.
2.6
Met betrekking tot de gevorderde contractuele rente overweegt de kantonrechter dat deze niet als onredelijk kan worden gekwalificeerd op grond van de Richtlijn 93/13/EEG, gelet op de aanbeveling met betrekking tot contractuele rentes van de Redactieraad Ambtshalve toetsing in het Rapport Ambtshalve toetsing III.
2.7
De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde] echter als een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW Pro. Bij de toepassing van artikel 6:248 lid 2 BW Pro dient de kantonrechter de nodige terughoudendheid te betrachten. Niet snel kan dan ook worden aangenomen dat een tussen partijen gemaakte afspraak, als hier aan de orde, geen toepassing vindt omdat toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De kantonrechter acht de omstandigheden in deze zaak echter dermate bijzonder dat een beroep op voornoemd artikel gerechtvaardigd is. Immers, de feitelijke schade die door SKN wordt geleden door het onbetaald blijven van dit bedrag en de situatie waarin [gedaagde] zich ongevraagd in bevond staan niet in verhouding. De kantonrechter zal de contractuele rente dan ook buiten toepassing laten en de wettelijke rente toewijzen.
2.8
[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Aan de zijde van SKN worden deze begroot op een bedrag van € 129,74 aan dagvaardingskosten, een bedrag van € 322,00 aan griffierecht en een bedrag van € 398,00 aan gemachtigdensalaris (2 punten à € 199,00 voor de dagvaarding en de conclusie van repliek), zijnde een totaalbedrag van € 894,74.
2.9
De nakosten worden toegewezen als in het dictum vermeld.

3.De beslissing

De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan SKN te betalen een bedrag van € 1.299,59, te vermeerderen met de wettelijke rente over de in voornoemd bedrag verdisconteerde factuurbedragen vanaf de vervaldata van de facturen tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van SKN tot op heden begroot op een bedrag van € 894,74, daarin begrepen een bedrag van € 398,00 als salaris voor de gemachtigde van SKN;
veroordeelt [gedaagde] in de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op € 99,50 aan salaris gemachtigde, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2023.