ECLI:NL:RBZWB:2023:3245

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 april 2023
Publicatiedatum
12 mei 2023
Zaaknummer
10330210 CV EXPL 23-485 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Karsten-Badal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:29 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering wegens onbetaalde automaterialen ondanks erkende levering

De zaak betreft een vordering van JTC Roosendaal B.V. tegen gedaagde tot betaling van €2.589,78, vermeerderd met rente en kosten, wegens onbetaalde facturen voor geleverde automaterialen.

Gedaagde erkent de bestelling en ontvangst van de goederen, maar stelt dat enkele onderdelen retour zijn gezonden en gebrekkig waren. Deze stellingen zijn echter niet onderbouwd met specificaties of bewijs, waardoor de kantonrechter deze verweren niet volgt.

De rechter oordeelt dat gedaagde het gevorderde bedrag dient te voldoen, inclusief de hoofdsom van €2.046,05, de wettelijke handelsrente vanaf dagvaarding en de buitengerechtelijke incassokosten van €371,36. De proceskosten worden eveneens aan gedaagde opgelegd.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen. Hiermee wordt de vordering van JTC volledig toegewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €2.589,78 plus rente en kosten wegens onbetaalde automaterialen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken
Breda
zaak/rolnr.: 10330210 CV EXPL 23-485
vonnis d.d. 12 april 2023
inzake
de besloten vennootschap JTC Roosendaal B.V.,
gevestigd te (4705 RT) Roosendaal aan het adres Leemstraat 11,
eiseres,
gemachtigde: Bill Incasso B.V. te Bergen op Zoom,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonadres], zaakdoende te [adres],
gedaagde,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna “JTC” en “[gedaagde]” genoemd.

1.Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
a. de dagvaarding van 2 februari 2023 met producties;
b. de conclusie van antwoord van 15 februari 2023;
c. de conclusie van repliek van 1 maart 2023;
d. de conclusie van dupliek van 15 maart 2023.

2.Het geschil en de beoordeling

2.1
JTC vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.589,78, te vermeerderen rente en kosten. Zij stelt dat zij diverse automaterialen aan [gedaagde] heeft geleverd. [gedaagde] heeft de facturen voor die onderdelen onbetaald gelaten. Hij stelt dat onderdelen retour zijn gezonden, maar daar is JTC niet mee bekend. [gedaagde] heeft daarnaast in het buitengerechtelijke traject aangegeven een betalingsregeling te willen treffen, maar partijen zijn het daar niet over eens geworden.
2.2
[gedaagde] erkent onderdelen te hebben besteld en deze te hebben ontvangen. Hij voert aan dat in zijn ogen een redelijk betalingsvoorstel is gedaan, zeker nu er nog onderdelen retour zijn gestuurd en geleverde onderdelen niet in orde waren.
2.3
De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] heeft erkend de onderdelen te hebben besteld en deze te hebben ontvangen. In beginsel dient hij dan ook het gevorderde bedrag te voldoen.
2.4
Hij voert aan dat diverse onderdelen retour zijn gestuurd, zodat hij deze niet hoeft te voldoen. De kantonrechter is van oordeel dat het op zijn weg had gelegen inzichtelijk te maken en te onderbouwen om welke onderdelen dit ging en welk bedrag daarmee gemoeid is. Nu hij dit heeft nagelaten, gaat de kantonrechter aan dit verweer voorbij.
2.5
De hoofdsom van € 2.046,05 is dan ook toewijsbaar.
2.6
Met betrekking tot de gevorderde rente en kosten voert [gedaagde] aan een redelijk betalingsvoorstel te hebben gedaan, zodat de kosten onnodig waren. De kantonrechter overweegt dat uit artikel 6:29 van Pro het Burgerlijk Wetboek volgt dat JTC niet akkoord hoeft te gaan met een betalingsvoorstel. Dit leidt ertoe dat de gemaakte kosten in beginsel toewijsbaar zijn.
2.7
Uit de overgelegde producties volgt voldoende dat JTC buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt. Het gevorderde bedrag komt vervolgens overeen met de gebruikelijke forfaitaire tarieven, zodat het bedrag van € 371,36 (inclusief btw) toewijsbaar is.
2.8
De gevorderde wettelijke handelsrente is, als gegrond op de wet, eveneens toewijsbaar. Nu het genoemde bedrag aan verschenen wettelijke handelsrente is berekend tot de dag van dagvaarding, zal de toekomstige rente worden toegewezen vanaf 2 februari 2023.
2.9
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten worden begroot op een bedrag van € 113,30 aan dagvaardingskosten, een bedrag van € 487,00 aan griffierecht en een bedrag van € 348,00 aan gemachtigdensalaris (1,5 punt à € 232,00 voor de dagvaarding en de akte van JTC).

3.De beslissing

De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan JTC te betalen een bedrag van € 2.589,78, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 2.046,05 vanaf 2 februari 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van JTC tot op heden begroot op een bedrag van € 948,30, daarin begrepen een bedrag van € 348,00 als salaris voor de gemachtigde van JTC;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Karsten-Badal en in het openbaar uitgesproken op
12 april 2023.