ECLI:NL:RBZWB:2023:3317

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 mei 2023
Publicatiedatum
16 mei 2023
Zaaknummer
AWB- 23_2522 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 5.6 Regeling langdurige zorgArt. 5:20 Regeling langdurige zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking persoonsgebonden budget door zorgkantoor

Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van het zorgkantoor om haar persoonsgebonden budget (pgb) per 24 maart 2023 te beëindigen vanwege het ontbreken van een gewaarborgde hulp. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen en het pgb te schorsen, en later om het pgb te beheren.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb in te trekken omdat verzoekster op de datum van het besluit geen gewaarborgde hulp had aangesteld. Hoewel het belang van verzoekster om haar huidige zorgverleners te behouden duidelijk is, weegt het belang van het zorgkantoor bij een juiste besteding van het pgb zwaarder. Verzoekster kan desgewenst zorg in natura ontvangen.

De voorzieningenrechter benadrukte dat de beoordeling van de geschiktheid van de voorgestelde gewaarborgde hulp niet in deze voorlopige voorziening aan de orde is, maar in de bezwaarprocedure. Het verzoek om het pgb te beheren valt buiten de taak van de rechtbank. Gezien het risico op onjuiste besteding en mogelijke terugvordering, werd het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van het pgb wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/2522 WLZ VV

uitspraak van 15 mei 2023 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster] , te [woonplaats verzoekster] , verzoekster,

en

CZ Zorgkantoor, te Tilburg,

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 maart 2023 (bestreden besluit) van het zorgkantoor inzake de beëindiging van haar persoonsgebonden budget (pgb). Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Met partijen is afgesproken dat de standpunten schriftelijk zullen worden uitgewisseld. Er zal daarom uitspraak worden gedaan zonder dat een zitting heeft plaatsgevonden.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Op grond van de stukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verzoekster heeft een indicatie voor wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging in de vorm van een pgb.
Bij brief van 27 september 2022 is aan verzoekster meegedeeld dat mevrouw [naam zorgeverleenster] niet meer voldoet aan de voorwaarden om aangemerkt te worden als gewaarborgde hulp.
Verzoekster zal een nieuwe gewaarborgde hulp moeten aanstellen.
Bij besluit van 24 maart 2023 is aan verzoekster meegedeeld dat haar pgb wordt beëindigd.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 maart 2023.
Verzoekster heeft op 28 maart 2023 mevrouw [naam zorgeverleenster] aangedragen als gewaarborgde hulp. Op 3 april 2023 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen mevrouw [naam zorgeverleenster] en het zorgkantoor.
Bij brief van 17 april 2023 is aan verzoekster meegedeeld dat mevrouw [naam zorgeverleenster] niet voldoende op de hoogte is om de werkzaamheden van gewaarborgde hulp uit te voeren. Verzoekster wordt verzocht een nieuwe gewaarborgde hulp aan te stellen.
Op 12 mei 2023 heeft er een opnieuw een gesprek plaats gevonden met mevrouw [naam zorgeverleenster] . Het zorgkantoor heeft ten tijde van deze uitspraak nog geen besluit afgegeven of mevrouw [naam zorgeverleenster] alsnog als gewaarborgde hulp wordt geaccepteerd.
Verzoek
2. Verzoekster heeft, samengevat, aangevoerd dat ze al vanaf 3 april wacht of de gewaarborgde hulp wordt toegekend. Ze ontvangt nu geen pgb en zit zonder zorg. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen. Op 11 mei 2023 heeft verzoekster aanvullend verzocht om te bepalen dat de rechtbank haar pgb zal beheren.
Wettelijk kader
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
4. Ingevolge artikel 5.6, sub a, van de Regeling langdurige zorg wordt in beginsel geen pgb verleend aan een verzekerde die is aangewezen op zorgprofiel VG wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging. Alleen als de verzekerde een gewaarborgde hulp heeft, kan er toch een pgb worden verstrekt.
Ingevolge artikel 5:20, tweede lid, onder b, van de Regeling langdurige zorg kan het
zorgkantoor de verleningsbeschikking intrekken of wijzigen met ingang van de dag waarop de verzekerde, of de derde die aan de verzekerde gewaarborgde hulp biedt, de opgelegde verplichtingen niet nakomt of niet langer voldoet aan de voorwaarden of verleningsgrond van het persoonsgebonden budget dan wel verhoging van het budget als bedoeld in artikel 5.1c, vijfde lid, of aan de eisen van gewaarborgde hulp.
Beoordeling voorzieningenrechter
5. De voorzieningenrechter zal moeten beoordelen of het zorgkantoor op goede gronden het pgb heeft ingetrokken. Omdat het bestreden besluit op 24 maart 2023 is genomen, zal de voorzieningenrechter bij zijn beoordeling uit moeten gaan van de situatie zoals die op 24 maart 2023 was.
6. Uit de stukken blijkt dat verzoekster op 24 maart 2023 geen gewaarborgde hulp had. Ook had zij op die datum nog geen nieuwe gewaarborgde hulp voorgesteld aan het zorgkantoor. Pas nadat het bestreden besluit is afgegeven, heeft verzoekster doorgegeven dat zij een ander bereid heeft gevonden om haar gewaarborgde hulp te zijn.
7. Omdat verzoekster op 24 maart 2023 geen gewaarborgde hulp had, was het zorgkantoor bevoegd om het pgb in te trekken. Bij de vraag of het zorgkantoor van die bevoegdheid gebruik mag maken, zullen de belangen van verzoekster en die van het zorgkantoor afgewogen moeten worden.
8. Het belang van verzoekster is duidelijk. Zij wil graag de zorg blijven ontvangen van de zorgverleners die zij nu heeft ingeschakeld. Het belang van het zorgkantoor is ervoor te zorgen dat het pgb op een juiste manier wordt besteed en dat over de besteding een goede verantwoording kan worden gegeven. Dit laatste is overigens ook in het belang van verzoekster. Hoewel de wens van verzoekster om haar eigen zorgverleners te behouden begrijpelijk is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van het zorgkantoor bij een juiste besteding van het pgb zwaarder moet wegen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter ook betrokken dat verzoekster desgewenst zorg in natura kan ontvangen. Het zorgkantoor heeft dan ook van zijn bevoegdheid tot intrekking van het pgb gebruik kunnen maken.
9. De voorzieningenrechter hecht eraan te benadrukken dat de vraag of het zorgkantoor mevrouw [naam zorgeverleenster] op goede gronden heeft afgewezen als gewaarborgde hulp in deze procedure niet aan de orde kan komen. Het zorgkantoor zal zich daarover wel moeten uitlaten in de nog te nemen beslissing op bezwaar.
10. Zoals onder punt 3 ook al is overwogen, zal de voorzieningenrechter bij zijn beoordeling ook zelf een belangenafweging moeten maken. De voorzieningenrechter begrijpt dat het voor verzoekster belangrijk is dat ze haar eigen zorgverleners kan betalen en dat zij dit zonder een pgb niet kan. Toch ziet de voorzieningenrechter daarin geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Daarbij is betrokken dat als in de voorlopige voorziening bepaald zou worden dat het pgb uitbetaald moet worden, het aannemelijk is dat het pgb of een gedeelte daarvan uiteindelijk terugbetaald zal moeten worden als geen goede verantwoording van de besteding kan worden gegeven. Omdat verzoekster nog geen geaccepteerde gewaarborgde hulp heeft is het zeker niet uitgesloten dat (een deel van) het pgb niet juist wordt besteed. Bij het treffen van de gevraagde voorziening zou verzoekster dan op korte termijn gebaat zijn bij de uitbetaling van het pgb maar vervolgens later met een (grote) schuld kunnen worden geconfronteerd.
11. Het verzoek om te bepalen dat de rechtbank het pgb van verzoekster zal beheren valt buiten de omvang van het geding. Het gaat hier immers niet om de vraag wie de gewaarborgde hulp zal moeten zijn, maar om de vraag of het pgb ingetrokken had mogen worden. Overigens valt het beheer van een pgb niet onder de wettelijke taak die aan de rechtbank is opgedragen.
12. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 15 mei 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.